Wies Voesten’s Passie voor planten – Hosta

Passie voor Hosta

Lente is voor mij het mooiste hosta-seizoen: prachtig zoals de neuzen de grond uit komen en wat een
genot om elke dag langs en door de ‘Hosta-walk’ te lopen en te zien, hoe mooi de bladeren zich
stukje bij beetje ontvouwen.

Hoe kom je er toe om een hostawalk aan te leggen………………..
Rum 30 jaar geleden had ik ‘al’ 12 soorten in mijn bezit: 2 bontbladige en de rest met groen of blauwgroen blad. Maar in de plantenboeken uit de bibliotheek (begin jaren ’90 hadden wij nog geen p.c. in huis) stonden hosta’s met de mooiste bladvariëteiten. Hoe zou ik nu aan die mooie hostaplanten uit die boeken kunnen komen? Het leek onbereikbaar: in de Polder had je toentertijd geen kwekerijen. Jaren later kwam er een Groei & Bloei voorjaarsfair in Emmeloord, met jawel: een stand van de Hosta Vereniging. Volgens mij heb ik kwijlend voor die prachtige verzameling gestaan, want de eigenaar kwam gelijk op mij af. Na enig heen en weer gepraat en ‘een tas met aankopen’ rijker, had ik hem zover, dat hij na afloop van de fair bij mij thuis op de koffie kwam, om mijn hosta’s van namen te voorzien. Het werden een paar aangename uurtjes van plantenliefhebbers onder elkaar.

Hij was zeer enthousiast over zijn bungalowtuin met 350 soorten hosta’s. Ik sloeg stijl achterover: 350 soorten in een bungalowtuin?? Mijn ‘trots’: de verzameling van 12 soorten viel helemaal in het niet! We werden uitgenodigd om te komen kijken en dat sloeg ik niet af. Gelukkig was manlief ook wel nieuwsgierig en dus liep ik een week later genietend door die hosta tuin en was gelijk verkocht. Een border vol met hosta’s in onze boerderijtuin tuin zou toch helemaal geweldig zijn! Voor we naar huis gingen was ik lid geworden van de Hosta Vereniging en………… in de kofferbak zaten diverse nieuwe, vooral bontbladige hosta’s.
In de week erna ging het voorste gedeelte van de schaduwborder op de kop. Planten weggooien is hier ‘not done’ en dus werden ze op het erf ingeplant: dan konden ze, indien nodig, weer in de tuin gebruikt worden.

Via de Hosta Vereniging vond ik een ‘soul mate’. Samen gingen we af en toe op pad, vooral ook naar hosta-tuinen: hier konden we goedkoop stekken krijgen of ruilen. Ook bezochten we kwekerijen: al hadden we allebei (gelukkig) een andere plantensmaak, op hosta gebied zaten we qua kleur en soort op een lijn en: er werden alleen potten aangeschaft met meerdere neuzen. Thuisgekomen, ging het mes erin: zo hadden we allebei een of meerdere stekken. In de loop der jaren groeide de hostaborder, aangevuld met varens, hortensia’s en hibiscussen, gestaag en raakte vol. Naast de schuur, in het verlengde van de hostaborder, lag nog een strook grond van 25 meter lang en 6 meter breed, waar het gewone ‘windsingelgoed’ op stond, met veel onkruid. Bij mij groeide het plan om deze strook bij de tuin te trekken en zo een echte hostawalk te creëren.

Hosta’s met een gedeelte van het 50 meter lange slingerpad

Manlief vond het prima, maar vanwege zijn werkzaamheden in het buitenland had hij voorlopig geen tijd. Ik besprak de plannen met onze zoon (toen net 14): die zag het wel zitten. Hij trommelde enkele vrienden op en op twee zaterdagen werd er het nodige ‘gerooid’, wortels verwijderd, grond geëgaliseerd en compost opgebracht. In de weken erop heb ik tussen de bedrijven door, zelf een slingerpad van 50 meter aangelegd en daarna konden mijn plannen verwezenlijkt worden. Dezelfde formule is aangehouden: een body van hortensia’s met hibiscussen aangevuld met diverse hoge en lage varen variëteiten en hosta’s, natuurlijk! Hierbij ging het mij puur om het blad. Door de jaren heen (de border hoefde niet in één keer vol) zijn er steeds wat soorten bij geplant en nu, na 25 jaar, staan ze zo gerangschikt, dat er niet te veel groene, of te veel bontbladige exemplaren naast elkaar groeien. Elke plant krijgt hier het recht om zich te profileren en staat in volledige kleurenharmonie met zijn buren en dat bereik je alleen………… als je de planten niet laat bloeien. Eén keer in de week loop ik er langs en breek (wat erg 😊) alle knoppen eruit. In dit stadium is dat gemakkelijk te doen. Als je wacht tot ze (bijna) bloeien, zijn de stengels taai, dan moet er geknipt worden en daar zijn dan weer twee handen bij nodig, wat ook meer tijd vraagt.
De tweede reden om de knoppen eruit te halen: na dauw en regen veroorzaken de uitgevallen bloemblaadjes smetvlekken op het sierblad: dat wil ik graag voorkomen.

Het ontbreken van al die onregelmatige bloeistengels brengt echt rust in deze kleurrijke bladplantenborder. Nadeel van het wegknippen van bloemen is, dat ik bezoekers niet kan vertellen in welke kleur een bepaalde hosta bloeit………………..

Hosta ‘Touch of Class’

Hosta’s groeien hier als kool, maar er zijn grenzen: ze mogen elkaar niet overwoekeren. Elk voorjaar loop ik met de schop tussen de opkomende ‘neusplakkaten’: zijn ze te breed uitgestoeld, dan worden er stekken afgestoken en ‘met naam en toenaam’ voor de liefhebbers opgepot. Zo houden we met strenge hand onze Hosta’s in toom. Daarna gaat er elk jaar een flinke laag champost overheen: dit is ‘scherp’ en in combinatie met de ochtendzon, die dit geheel opwarmt, blijven de slakken lang weg. Slakkenkorrels (milieuvriendelijk), worden later in het seizoen gestrooid, indien nodig. De korrels strooien we ver onder het blad, tegen de uitlopers/neuzen, zodat ze lang droog blijven. Daardoor blijft het strooien beperkt.

Hosta ‘Aristocrat’

Al die verschillende hosta’s zijn òf aangeschaft als souvenir op één van mijn tuinreizen (dat kun je breed zien 😊), òf verkregen door stekken te ruilen met andere hosta liefhebbers, òf………. cadeau gekregen.
Aan diverse planten kleven dus herinneringen: daardoor zijn ze voor mij heel speciaal, terwijl ze voor een ander waarschijnlijk heel gewoon zijn.
Hosta ‘Aristocrat’ bijvoorbeeld: een sport van Hadspen Blue; een prachtige redelijk grootbladige Hosta, van ongeveer 40 cm hoog. Stevige blauw/groen met geel gevlamde bladeren maken van deze plant een opvallende verschijning. Aangeschaft tijdens een tuinenreis naar België, meer dan 10 jaar geleden, waar wij (vier tuinvriendinnen uit de Polder) in mei de “Tuindagen van Beervelde” zouden gaan bezoeken. Vanwege het koude voorjaar hadden we toevallig alle vier onze warme tuinlaarzen aan. Toen we bij de grens een eet-stop maakten en in de rij voor de kassa stonden te wachten, hoorden we een stel jonge Belgische meiden praten over ’die vier aristocratische dames in de rij’. Wij zaten onschuldig rond te kijken: “Wie bedoelen ze nou?”. Het duurde even voordat het kwartje viel. We hebben er vreselijk om moeten lachen en toen een dag later op die plantenbeurs, deze aparte hosta met de ‘toepasselijke’ naam Aristocrat in mijn gezichtsveld kwam, moest die natuurlijk mee naar Holland.

Hosta Striptease heeft bij mij toch een special plekje verworven. Ooit cadeau gekregen van Wim en Hennie Willemsen (helaas zijn beiden ons veel te vroeg ontvallen), toen ze hier een tiental jaren geleden, met een groep tuinliefhebbers op bezoek waren. De bijzondere ‘tekening’ in het ovaal rond tot langwerpig blauwgroene blad, dat een wit omlijnd geel/groen centrum heeft, maakt hem extra opvallend. Daardoor lijkt het net alsof dit blad `een blad in een blad’ heeft.

Lakeside Looking Glass
Hosta ‘Ginko Craig’

Ook Hosta Ginko Craig heeft een bijzonder waarde, evenals Wolverine, Katherine Lewis en Lakeside Loooking Glass. Een pas beginnende kweker met veel hosta’s in zijn assortiment, was op zoek naar fotomateriaal en kwam hier terecht. In ruil voor het maken van foto’s kreeg ik van hem bovengenoemde vier prachtige planten: wat een beauty’s!
Ginko Craig: met mooie appelgroene bladeren en een fel afstekende in-witte rand is echt een prachtplant, die vooral in de schaduw goed tot zijn recht komt.
Wolverine is een hosta die middelgrote, ietwat langwerpige stevige blauw/groene bladeren heeft met een licht gele/crème rand. De plant wordt ongeveer 35 cm hoog.
De bladeren van Katherine Lewis zijn in het begin groen met een blauwe rand, maar naarmate het seizoen vordert, wordt het groen meer gelig.
Een bijzonder soort, waar de slakken helaas erg dol op zijn, is Hosta Lakeside Looking Glass. De plant heeft glimmend appelgroen, gegolfd en zeer mals blad en wordt door velen niet echt herkend als zijnde een Hosta………..

Terraspot met Sieboldiana Elegans

Favoriet zijn de Hosta’s uit de Sieboldiana Elegans familie: hiervan staan er ook enkele in potten op onze terrassen.
Iedereen kent wel de Hosta sieboldiana Elegans: een van de hoogste hosta soorten met stevig groot rond blauw-grijs blad. Uit deze plant komen vele blauwbladige variëteiten voort: Sieboldiana Elegans is nl ‘de ‘vader’ van diverse andere hosta’s, zoals van de mooie Frances Williams: groot blauw-grijs blad met een geel-groene rand en van Hosta Halcyon, een Tardiana variëteit. Deze plant met hartvormig tot ovaal blad, heeft een intens blauwe kleur, welke zelfs in de zon blauw blijft!

Hosta ‘El Nino’
Hosta ‘June’

Ook Hosta Hadspen Blue heeft Sieboldiana Elegans als vader. Deze compact groeiende plant met mooie hartvormige blauwe bladeren heeft het hier in de schaduwborder erg naar z’n zin.
Hosta El Nino is een opvallende sport van de Halcyon: met dezelfde blauwe kleur, maar de ovaal/langwerpige bladeren zijn netjes afgewerkt met een witte rand.
Hosta June is een andere sport uit de Halcyon: stevige bladeren, waarvan het centrum geel/groen is en de rand prachtig blauw gevlamd, sieren deze plant. June staat op 2 verschillende plaatsen in de tuin en het is dan goed te zien, dat de standplaats invloed heeft op de bladkleur. June in de border, op een schaduwrijke plek, heeft bladeren met een appelgroen hart; June in een pot, op een van de terrassen, waar hij/zij af en toe zon vangt, krijgt bladeren met een geel/groen hart.

Hosta “Remember Me’

June heeft veel familie leden, zoals o.a. June Fever met geel/groene bladeren en een smalle blauw/groene rand en Touch of Class met hartvormig tot ovaal puntig, blauw blad met een mooi smal geel centrum. Ook Remember Me met zeer opvallende bladeren, die een fel geel hart met een diep blauwe rand hebben en Hosta Blue Arrow met langwerpige, golvende blauwe bladeren zijn gerelateerd aan June.
Bovenstaande hosta’s zijn echte aanraders: ze hebben allemaal dik en stevig blad, waar de slakken toch minder gauw aan beginnen.

Hosta ‘Blue Arrow’
June Fever
Frances Williams

Nu, na verloop van ruim 20 jaar, staan er zo’n 300 verschillende variëteiten in de hosta-walk en daar zou ik nog wel uren kunnen over kunnen vertellen 😊. De hosta’s staan allemaal op naam, maar…… al worden 1x per jaar alle namen op de bordjes overgeschreven: alle 300 soorten onthouden gaat natuurlijk niet (meer)! Maar als iemand een naam noemt, weet ik wel of deze plant in de Hosta-Walk staat en ik weet zelfs ook nog precies de standplaats aan te wijzen.
Wat dat betreft is onze tuin voor mij als ‘een gelezen boek’, waarvan de inhoud zich in mijn hoofd bevind…………

Wies Voesten.

Hosta ‘Halcion’

Bekijk ook de website van De Stekkentuin

Wies Voesten’s Passie voor planten, Helleborus

De Helleborusliefde van Wies Voesten

Half maart en ondanks de regen en harde, stormachtige wind, kijk ik elke ochtend genietend vanuit de kamer naar de tuin, waarin tientallen helleborussen, door de zachte winter, al vanaf half januari staan te bloeien. Als plantenfreak zijnde, hebben voorjaarsbloeiers en -bladplanten bij mij toch wel een speciaal plekje veroverd: zij krijgen mij zo ‘gek’, om (bijna) dagelijks een rondje tuin te doen.

De sneeuwklokjes- en krokustijd is voorbij: ze vormen nu mooie en veelbelovende zaaddoosjes. Bollen als Scilla siberica, Puschkinia’s, Anemone blanda, Muscari, Narcissen etc. maken de borders steeds fleuriger. Verschillende Corydalis variëteiten hebben zich lekker uitgezaaid en zorgen voor kleur tussen de bijzonder getekende bladeren van de Cyclamen Hederifolium en de Coum.
Helleborussen spannen de kroon: in de tuin staan ongeveer 350 planten in verschillende kleuren en in de kweekveldjes op het erf, staan ook nog eens ruim 500 exemplaren. Op onze lichte zavelige kalkklei in de Noordoostpolder, waar je de schelpen nog steeds overal kunt zien liggen, doen helleborussen het erg goed.

De helleborus-verslaving kreeg mij jaren geleden al in zijn greep. En dan te bedenken, dat dit alles ruim 25 jaar geleden begon met een toevallige ‘ontmoeting’ bij een hovenier. In de winter ging ik daar potgrond voor mijn kamerplanten halen. Gewoontegetrouw werd er ook even een rondje over de tuinplantenafdeling gedaan. Daar stond, tussen alle afgestorven planten, een pot met zwart/groene bladeren met een bloemstengel vol knoppen en 2 schitterende bloemen: blauw/paars aan de buitenkant en blauw/paars met groen aan de binnenkant; heel bijzonder. De hovenier had geen idee wat voor plant het was. “Maar”, zei hij: ”Je moet niet denken, dat hij volgend jaar om deze tijd weer bloeit: het is vast een vergissing van de natuur”. Dat maakte mij niet uit. Voor twee-gulden-vijftig (!) verwisselde hij van eigenaar en ik plantte hem toevallig op een goede plek: in de lichte schaduw. Elke winter in februari/maart verrast(e) hij ons met prachtige bloemen. Maar niemand kende de plant: eind jaren tachtig was er hier nog geen ‘google’. Pas toen Hans Kramer, van Kwekerij De Hessenhof, enkele jaren later ’s winters een lezing gaf bij onze Groei & Bloei afdeling, kwam ik er achter, dat ik dus een heuse helleborus in mijn bezit had; en niet zomaar één! Het was zelfs een botanische soort: Purpurascens genaamd! Gelukkig was het de gewoonte van Hans, om ook altijd planten van zijn kwekerij mee te nemen naar lezingen en natuurlijk kocht ik bij hem enkele andere Orientalis variëteiten, zoals een anemoonbloemige en een dubbelbloemige: beiden in verschillende kleuren. Dat was het begin van mijn verslaving.

Helleborusborder in De Stekkentuin

In de loop der jaren is mijn collectie flink gegroeid, evenals mijn kennis. De grootste groep helleborussen die hier staan, is de Orientalis soort: deze planten hebben geen bebladerde stengels, maar komen met blad- en bloemstelen uit de grond. Het blad is een beetje handvormig, leerachtig en groenblijvend met kleine tandjes langs de randen. Door zelf te zaaien, verkregen we de meest wonderlijke variaties in allerlei kleurschakeringen: van wit naar roze, paars, donker rood tot bijna zwart, zowel enkel- als dubbel- als anemoonbloemig. Die kun je ook nog weer onderverdelen in bloemen met of zonder spikkels, vlekken, vlammen, of zoals de latere Picotee variëteiten: met mooie donkere aderen. Sommige bijzondere exemplaren probeer ik zelf te kruisen, maar meestal laat ik de natuur zijn gang gaan. Hommels en bijen vliegen van plant naar plant en van kleur naar kleur. Daardoor zien de bloemen van de zaailingen er vaak niet meer hetzelfde uit als die van de moederplanten: maar dat is voor mij nou net de uitdaging.

Zo gauw het zaad in mei rijp is, vangen we dit op en zaaien het later onder de moederplanten, waar het dan pas in februari/maart kiemt. Deze zaailingen blijven daar ongeveer 3 tot 6 maanden staan, daarna verplanten we ze naar een kweekveldje op het erf. Je moet wel veel geduld hebben: het duurt nl. twee tot drie jaar eer de zaailingen de eerste bloemen laten zien. Het is altijd weer spannend wanneer de eerste knoppen opengaan. De meest bijzondere planten krijgen weer een plekje in de tuin.

Helleborussen hebben eigenlijk geen echte bloemen (voor het gemak blijf ik dat wel zo noemen). Ze hebben geen kroonbladeren, deze zijn nl. veranderd in kokervormige nectariën en na bestuiving vallen deze af. Om toch hommels en bijen te lokken, hebben de bloemen schutbladeren (meestal 5) in de mooiste kleuren, vaak met een vleugje groen, vooral in de buitenste twee. Na de bestuiving vallen de schutbladeren ook niet af, maar worden langzaam steeds groener.

Tegen het eind van de bloei, als de zaaddozen gevormd zijn, zijn alle bloemen/schutbladeren bijna helemaal groen geworden, maar ook dan zijn ze nog steeds zeer attractief. Wat ik ook zo geweldig vind van helleborussen, is dat een bloem (lees: kleurrijke schutbladeren) van knop tot en met de rijpe zaaddozen, wel vier maanden aan een plant zit ‘mooi te zijn’: welke andere plant krijgt dit nou voor elkaar?

Anemoon met spikkels

Veel mensen vinden Helleborussen trieste planten, omdat de bloemhoofden altijd naar beneden hangen. Dit heeft een functie, waar de natuur wel over heeft nagedacht. Zo hebben regen en sneeuw geen vat op meeldraden en stampers. Hommels en bijen kunnen ongestoord hun werk doen. Naarmate de zaaddozen rijpen, komen de bloemen steeds verder omhoog. Kwekers zijn bezig om planten met rechtopstaande bloemen te kweken, maar de paar omhoogkijkende bloemkelkjes van onze planten, hebben in de afgelopen natte weken vol water gestaan. De mooie geel met rode bloemblaadjes zijn bruin geworden en de kokervormiger nectariën met meeldraden zijn weggerot: zaaddozen zullen er niet komen!

Waarom moet alles groeien voor het gemak van de mens? Het is toch prachtig dat de helleborus (evenals het sneeuwklokje) ons op de knieën dwingt: liefst in de natte sneeuw . Je moet er gewoon wat voor over hebben, om deze beauty’s te willen bewonderen!

Eigen zaailing De Stekkentuin

Helleborussen brengen in de winter wel wat werk met zich mee. Het zijn planten waarvan het blad het gehele jaar door groen blijft, maar door wind, regen, hagel, sneeuw en vorst raakt veel blad beschadigd. Deze beschadigingen kunnen omslaan in schimmels.

Vooral bij een grote hoeveelheid helleborussen geldt dus: voorkomen is beter dan genezen. Daarom controleren wij de planten gedurende het hele jaar regelmatig. Eventueel beschadigd blad wordt er dan gelijk afgeknipt. Zo rond half januari ontdoen wij alle Orientalis helleborussen van al het blad: beschadigd of niet. Meestal gebeurt dat als de knoppen net boven de grond uitkomen. Je kunt dan heel gemakkelijk alle bladeren in één hand bij elkaar pakken en ze allemaal tegelijk afknippen. De bloemen krijgen dan meer licht en komen ook beter tot hun recht. Nooit knippen in regenachtig/vorstig weer of met regen/vorst op de hand! De wondjes moeten eigenlijk dezelfde dag nog kunnen opdrogen, zodat schimmels geen vat op de planten krijgen. Heb je maar een paar helleborussen, dan kun je het gezonde blad eraan laten zitten, totdat de nieuwe bladeren zich in maart laten zien: op zich halen de planten nog wel voedsel uit het ‘oude’ blad.

Picotee anemoon

Dit jaar bloeiden de eerste helleborussen al in januari. Het weekje kou met lichte vorst was welkom: dat remde de groei/bloei een beetje af. Helleborussen zijn op zich ijzersterk. In de loop der jaren heb ik steeds meer bewondering en respect voor deze planten gekregen: bij -3/-4 graden vorst zijn ze bij machte om uit zelfbescherming, al het vocht uit de bloeistengels te halen en in de wortels op te slaan. De bloeistengels liggen dan plat op de grond. Zo gauw de temperatuur weer een paar graden boven nul is, komen de stengels fier overeind en bloeien gewoon verder. Dit hebben ze vorig jaar eind februari/begin maart 14 dagen achter elkaar volgehouden!


De afgelopen weken hebben ‘onze kanjers’ regen, hagel en alle dagen zware storm moedig getrotseerd. Maar vandaag staan ze opgelucht (net als ik) in het zonnetje te stralen: hopelijk is het gedaan met dit soort zware beproevingen. Volgens mijn man, deed het weersgeweld dat de helleborussen werd aangedaan, mij meer zeer, dan de planten zelf. 😊

Wies Voesten

Wilt u na het lezen van dit verhaal een kijkje nemen in De Stekkentuin, dan bent u welkom tijdens de Open Helleborusdagen op:
** vrijdag 22 en zaterdag 23 maart
** vrijdag 29 en zaterdag 30 maart.

Bezoek ook de website van De Stekkentuin

Wies Voesten’s Passie voor planten – Voorjaarsbollen

Hoe raak je zo verslingerd aan voorjaarsbollen?
Een tiental jaren geleden had ik helemaal niks met bollen: in onze boerderijtuin was geen bol te vinden. De bloemen zijn prachtig; daar lag het niet aan. Maar ik dacht steeds: driekwart van het jaar is er van die bollen niets te zien. Het loof moet je laten afsterven en dat zou er niet uitzien tussen de vele bodembedekkers die hier staan. Daar komt bij, dat er regelmatig verplant wordt of borders opnieuw ingericht: dan haal je die bollen ook steeds over de kop.

foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Van lieverlee ben ik toch overstag gegaan, mede doordat ik iets bloeiends zocht, om vanaf maart tot in april de terrassen mee op te vrolijken. Daar kun je helleborussen, cyclamen of i.d in potten voor nemen, maar die staan er al genoeg in de tuin. Google heeft hier overuren gedraaid en maakte mij wegwijs in de bollenwereld.

foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Als dochter van een tulpen- en gladiolenkweker, waren niet alle bollen mij vreemd, maar tulpen en gladiolen had ik wel genoeg gezien en in de hand gehad. Een goede kennis verkocht allerlei voorjaarsbollen aan huis: met mijn verlanglijstlijstje ging ik bij haar te rade. Om ervaring op te doen, wilde ik de bollen het eerste jaar oppotten en in het tweede jaar onder heesters in de borders planten.

Samen zochten we een mooi assortiment bij elkaar in de kleuren blauw, paars en wit: gewone sneeuwklokjes Nivalis, dubbele sneeuwklokjes Flore Pleno, Iris reticulata Harmony, Crocus verna Jeanne d’Arc en Flower Record en Striped Beauty, Anemone blanda White Splendour en Blue Shades, Scilla siberica en alba (sterhyacintjes), Puschkinia libanotica (buishyacintjes), Hyacinten en diverse Muscari (blauwe druifjes) variëteiten. In oktober werd alles in potten, manden, schalen en kistjes geplant, op een pallet geladen en buiten neergezet. Het ‘grote wachten’ begon. We kregen een redelijke winter: bij meer dan 5 graden vorst, reden we de pallet in de schuur.

En toen kwam februari met temperaturen van rond de 13 graden en…………. oh schrik: alle sneeuwklokjes en irisjes bloeiden ineens volop. Ook de krokussen openden hun knoppen. De terrassen stonden al heel vroeg, heel mooi en heel vrolijk in kleur, terwijl de open dagen pas in maart zouden beginnen. Tegen die tijd waren alle bollen uitgebloeid, op de Muscari soorten na. Aangevuld met helleborussen, zagen de terrassen en tuintafels er toch heel fleurig uit.

foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Maar ik had de smaak te pakken. In augustus ging er opnieuw een bestellijst de deur uit. De ‘oude’ bollen zijn in november in de tuin geplant; potten, manden, schalen en kistjes werden dit keer pas rond half december ingeplant. Ze kregen af en toe een beetje water en kwamen buiten onder een afdak te staan. Eind februari begonnen de eerste sneeuwklokjes en irisjes pas te bloeien, gevolgd door de krokussen, Scilla, Puschkinia, Hyacinten, Anemone blanda en Muscari. Precies zoals ik het gepland had, stond alles er half maart geweldig mooi bij.

Inmiddels kwamen ook de narcissen steeds meer in beeld. Dacht ik vroeger, dat er alleen maar gele en geel/oranje soorten waren, internet maakte mij ook dit keer wegwijs. Er borrelden grootse plannen in mij omhoog. Bij de oprit, lag nog een aardig grasveldje, met veel onkruid: al jaren een doorn in mijn oog. Als ik nou eens……………….
Zomers maakte ik het veldje ‘bouwrijp’ en in augustus ging er weer een bestellijst de deur uit: dit keer aangevuld met diverse kleurrijke narcissensoorten. Het moest een veldje worden met ‘eilandjes’ van narcissen, omgeven met blauwe druifjes en de oude bollen uit de manden/potten/kistjes/schalen. Het was nog een heel gepuzzel om dat te realiseren: want zo gauw je bollen in de grond hebt zitten, zijn ze ‘uit zicht’. Allerlei takjes uit de windsingel waren een enorme hulp om de ingeplante stukken af te bakenen.

Het werd een prachtige winter met vorst en sneeuw en daardoor stonden mijn terrassen weer precies op tijd in bloei. En de nieuwe bollenborder? Vanaf half maart tot eind april genoten we van de prachtige narcissen in wit, geel, oranje omringt door het opvallende blauw van de kleine bollen.

foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Totdat…… de uien afgeleverd moesten worden. Protesteren hielp niet: men moest en zou die uien NU hebben. Bij het laden van de vrachtwagens stormde het windkracht 8 en, u raadt het al, die wind stond net verkeerd. Na een uur was er van mijn kleurrijk bloemenveldje niet veel meer te zien.
Toen de schuur leeg was, werd het natuurlijk ook gelijk windstil.
Al wat bleef was een stukje erf vol uienblad waar narcissen en blauwe druifjes hier en daar bovenuit piekten. Met behulp van de bladblazer/zuiger hadden we alles in enkele uren wel weer aardig opgeruimd, maar de schoonheid van het veldje was verloren gegaan onder het uienstof: dat deed mij wel erg zeer, maar……… het bleef redelijk fleurig tot in mei!

Daardoor werd ik nog enthousiaster
In mijn hoofd ‘groeide’ een tweede bollenveld.
De windsingel aan de andere kant van de oprit, zag er altijd erg rommelig uit: blad, takken, onkruid wekten steeds meer ergernis op. ‘s Winters hebben we de singel uitgedund, bomen gesnoeid, alles opgeruimd en de grond opgehoogd. In het voorjaar kreeg deze border een beetje body door het inplanten van diverse sierheesters: Hibiscus, Leycesteria formosa, enkele Buddleja soorten, Weigela variëteiten: al dan niet met bont blad, Hydrangea Paniculata, Sambucus Nigra ‘Black Lace’ en ‘Black Beauty’, Physocarpus diablo, Caryopteris ‘Heavenly Blue’ en de bontbladige variant: Caryopteris ‘White Surprise’.


foto; Wies Voesten De Stekkentuin

In de zomer werd het internet weer geraadpleegd en vele bollencatalogi doorgespit, alvorens er een beplantingsplan in mijn hoofd begon te groeien. Geen tulpen: die zijn niet betrouwbaar ‘vast’. De geplante narcissen van vorig jaar hadden schitterend gebloeid en als ‘soorten verzamelaar’, was het al gauw een uitgemaakte zaak, dat ook hier vele narcissenvariëteiten geplant zouden worden, omringd door allerlei ‘bijgoed’ in wit en blauw.

foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Deze windsingel-border had een lengte van 55 meter en een breedte van meer dan 5 meter. Het viel niet mee om uit te rekenen hoeveel bollen er nodig waren. Temeer, omdat ik ook nog volgens een bepaald patroon te werk wilde gaan. Op zich maakte dat niet echt uit: de border hoefde niet in één jaar vol.
De Noordoostpolder heeft het grootste tulpenareaal van Nederland, maar narcissen zijn er bijna niet te vinden. Via via vond ik een tulpencommissionair, die er aardigheid aan had, om voor mij allerlei narcissensoorten op te sporen. “Lever maar een lijstje in” zei hij …..
Dat heeft die arme man geweten: het lijstje werd een lijst van ruim 150 narcissensoorten/variëteiten. Die commissionair had echt zijn best heeft gedaan (en mij behoorlijk gematst qua prijs). Bij het ophalen, schrok ik wel van de hoeveelheid. Ruim 12.500 bollen, w.o. 6000 narcissen in 135 verschillende soorten/variëteiten keken me vol vertrouwen aan. Kleine botanische soortjes zoals de gele Bulbocodium Conspicuus, de wit/gele Jack Snipe, wit roze Bell Song, maar ook grootbloemige Broughshanes en Standard Value, kleinkronige Poeticus variëteiten en grootkronige Ice Follies (wit/geel) en Professor Einstein (wit met oranje), vlinderbloemige Trepolo: wit met oranje hart, spleetkronige Apricot Whirl (prachtig wit met zalmoranje), dubbelbloemige White Medal en de bijzondere Rip van Winkle. Van alles wat: zowel vroeg-, als laatbloeiende narcissen, al dan niet geurend. In mijn hoofd groeide een prachtig bloeiend voorjaarskleurenpalet.

Toen manlief die ‘berg’ bollen zag, bracht hij mij gelijk weer met beide benen op de grond: “Waar ben je aan begonnen. Kun je ze niet terugsturen???”.
Die berg bollen bezorgde mij op zich geen probleem, maar ……… het regende alle dagen en de grond was één zompige massa geworden. Geduld, geduld!! Geduld?? Na de ene natte dag volgde er weer een andere! Ik begon me toch een beetje ongerust te maken: tuinplanten kun je maanden laten staan; daar gebeurd niets mee, maar bollen………….

Begin november werd het eindelijk een beetje droger. Vol goede moed begon ik met het inplanten: zolang het droog bleef, kon je mij elke dag buiten vinden.
Aan het eind van de middag werd het ingeplante stuk met een flinke laag compost en afgevallen blad af gestrooid: tegen het dichtslaan van de grond en als dekmantel tegen de vorst. Half december, net voor de vorst, was de klus geklaard. Ik kon het voorjaar wel uit de grond kijken! Maar: wat was het mooi, precies zoals ik het de gehele winter voor ogen had gehad. Tot half mei genoten wij en onze bezoekers volop van de kleurenpracht.

In de jaren erop, zijn er steeds bollen bij geplant, totdat de hele strook vol was. Natuurlijk kreeg elke narcissensoort een eigen naambordje. Het plantschema staat, compleet met foto’s, in de p.c., maar: als het geheel bloeit wil ik wel ter plekke buiten kunnen lezen om welk soort het gaat.
In deze tijd is het elke dag een feestje om langs de bollenborders naar de brievenbus te lopen: er is steeds meer kleur te zien. Sneeuwklokjes bloeien volop, de eerste Iris reticulata soorten bekennen kleur en diverse narcissen zitten vol knoppen.
Ook mijn terrasbollen liggen op schema.
Tja: er zitten ook dit jaar uien in de schuren, maar ik hoop dat die deuren dicht blijven tot half mei 😊

Wies Voesten

Website De Stekkentuin

Wies Voesten’s Passie voor planten – Cyclamen

Passie voor planten

Cyclamen……………..

“Heb jij nog wensen voor je tuin in het nieuwe jaar”, werd mij de afgelopen dagen gevraagd. Daar had ik gelijk een antwoord op: “Voor 2019 zijn een paar mooie regenbuien ‘op maat’ zeer gewenst, vooral vanaf mei tot augustus”. Mij hoor je niet echt klagen over de droge zomer van 2018. Het kostte wel heeeeel veeeel extra werk en tijd om alles een beetje nat te houden, maar hier was wel genoeg grondwater voorradig. Helaas bevat dat water veel ijzer en zout: we konden de borders er niet mee beregenen, maar gelukkig wel mee bevloeien (vandaar dat ‘extra werk en tijd’). De 300 mm regen die we te weinig hebben gehad, is in de natte decembermaand, met maar 10 zonnige dagen, teruggebracht tot 200 mm. Om het voorjaar niet te starten met een tekort, moeten er in de komende maanden eigenlijk nog wel wat buien (op maat) vallen ………………

Op zich ben ik aardig tevreden over de tuin, al streef ik er naar, dat het natuurlijk altijd beter en mooier kan. Op bezoek in andere tuinen, of bij kwekerijen heb ik het meest oog voor opvallende planten met een mooie bladkleur, -vorm en/of -structuur. Planten bloeien veelal zo’n 4 tot 8 weken, maar wanneer ze daarnaast ook nog sierlijke rode, grijze of zelfs bonte bladeren hebben, blijft een border toch wat langer boeien.

Cyclamen hederifolium foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Elk jaar zijn wij vanaf begin januari dagelijks, tussen de bedrijven door, in de tuin te vinden (voor zover het weer dat toelaat). We beginnen met het knippen van helleborusbladeren: door de grote hoeveelheid planten, zijn we daar wel even zoet mee. Maar na al die feestdagen, is het een lust om weer buiten bezig te zijn. Naast Helleborussen vol knoppen en soms ook al met bloemen, genoten we de afgelopen dagen ook al van de eerste bloeiende sneeuwklokjes en van veelbelovende groeipuntjes van irisjes, krokussen, scilla’s, muscari en allerlei andere bolletjes.

Meest opvallend in deze tijd zijn de cyclamen, die hier in grote getalen staan.
Allemaal gekozen om hun prachtige bladeren. De bloemetjes zie ik meer als toegift. Vroeger ben ik ooit begonnen met een paar ‘kamer’-cyclamen, maar die knollen kon ik niet in leven houden: ze stonden of te nat of te droog.
Kort daarna ontdekte ik de tuincyclamen. ‘Voorzichtig’ zijn er 2 exemplaren met verschillende bladvormen aangeschaft: dit om te kijken hoe ze het op de kalkgrond in de polder zouden gaan doen. Dat pakte goed uit: ze hadden het enorm naar hun zin, want het jaar erop stonden er zelfs al een paar zaailingen. Vervolgens heb ik mij wat meer verdiept in het Cyclamen assortiment: dat bleek toch aardig wat meer te omvatten, dan de twee soorten die ik had. Nu ben ik niet zo, dat ik gelijk op jacht ga, maar als ik tijdens mijn uitjes ergens Cyclamen ontwaar, MOET ik even een kijkje nemen. Je weet maar nooit of er wat ‘nieuws’ voor mij tussen zit. Het grijs, groen, of groen- grijs getekend/gemarmerd blad heeft een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mij. En dan praat ik nog niet eens over die soorten met een bijzondere kerstboomachtige ‘tekening’ in het midden.
In de loop der jaren staat hier een aardige Cyclamen collectie: gekochte (je moet ergens beginnen), maar ook gekregen en geruilde exemplaren en niet te vergeten: de vele zaailingen die hier ondertussen te vinden zijn. Officiële variëteitsnamen heb ik niet (op een paar na), want deze zaailingen hebben wat van de één en wat van de ander meegekregen, waardoor ze niet soortecht zijn.

Cyclamen hederifolium foto; Wies Voesten De Stekkentuin
Cyclamen hederifolium foto; Wies Voesten De Stekkentuin

De twee hoofdsoorten die hier groeien zijn:
1). De herfstbloeiende Cyclamen hederifolium met roze, witte of paarse bloemen, die zich vanaf augustus tot in november laten zien. Tijdens de bloei ontwikkelen zich de bladeren: hartvormig gelobd, vaak gekarteld. De naam Hederifolium zegt het al: dit blad lijkt erg veel op dat van de Hedera (klimop). De planten die hier staan zijn allemaal net even anders: de meesten hebben een opvallende ‘kerstboom’ tekening in het blad, maar er zijn ook mooie effen zilvergrijs- en groengrijs bladigen in de borders te vinden: echte blikvangers.
2). Cyclamen coum staan hier al heel wat langer in de tuin, in meerdere variaties. De kleine niervormige, bijna ronde blaadjes verschijnen in oktober. Ze zijn egaal groen, zilverkleurig, gemarmerd of met een mooie tekening. Coum bloeit van december tot in april met witte, roze of paars-rode bloemen. Ook bij dit soort zijn voor mij de bloemen ondergeschikt aan het blad, waarvan zelfs de onderkant mooi is: roodachtig paars. Vooral de zilverkleurige variëteiten staan prachtig tussen helleborussen, sneeuwklokjes en het ‘zwarte gras’: Ophiopogon planiscapus ‘Niger’.
Er zijn meerdere soorten cyclamen, maar die vereisen vaak meer aandacht: veelal zijn ze niet of minder geschikt voor onze tuin, omdat ze extra gevoelig voor vocht en/of vorst zijn.

Cyclamen coum foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Cyclamen zijn knollen en voelen zich helemaal thuis in onze kalkgrond. Ze prefereren een licht beschaduwde plek, in goed doorlatende humusrijke grond. Om te zien wat je koopt, kun je beter geen ‘kale’ knollen kopen, maar opgepotte exemplaren met blad. Plant ze op een diepte van 8-10 cm en zorg dat ze een beetje schuin komen te staan: in de bovenkant van deze knollen zit nl. een soort kuiltje. In natte periodes zou er te lang water in kunnen blijven staan en dan zouden de knollen kunnen wegrotten. Cyclamen zijn goed winterhard: sommige soorten schijnen wel tot –25 graden te verdragen. De koude winters van 2012 en 2013, met tot –min 19 graden, hebben ze hier in elk geval glansrijk doorstaan.

Cyclamen coum foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Eind april/begin mei sterft het blad langzaam af en gaan de knollen ‘slapen’. Hier en daar zet ik dan stokjes bij ter herinnering (ik word een dagje ouder ). Elk jaar in december wordt er een laagje compost bij gestrooid en daar gedijen ze goed op. Voor Cyclamen geldt: hoe langer ze op dezelfde plek staan, hoe uitbundiger de bloei en ergens heb ik gelezen, dat ze wel 100 jaar kunnen worden.
Hopelijk kan ik nog jaren van deze prachtige Cyclamen genieten (andersom is maar de vraag……………. )
Nog de beste wensen voor het nieuwe jaar, met heel veel tuinplezier.
Tot de volgende maand……..
Wies Voesten.

Cyclamen coum foto; Wies Voesten De Stekkentuin

Bekijk ook de website van De Stekkentuin

GJ Deunk, passievol, gedreven en gemist

img108

De boerenwortels van Gerritjan liggen in de Achterhoek, om precies te zijn in het dorp Aalten, een gereformeerde enclave in een roomse omgeving. Hutten bouwen in het bos, buiten spelen en zwemmen in het natuurbad. In het jaar 1968 begon GJ aan zijn opleiding aan de christelijke streek HBS. Hij had thuis zijn eigen tuin vol met lokale planten, Kniphofia (vuurpijl) en andere zomerbloeiers.

Om de paar maanden spraken GJ en ik af om weer even bij te bomen over de Nederlandse tuinarchitectuur, wisselend tussen de Rubenslaan in Naarden en het Zaans Museum op de Zaanse Schans in Zaandam.  Ik heb er nooit bij stil gestaan dat dit zo snel tot een abrupt einde zou komen. Nu koester ik deze ontmoetingen als een dierbare gedachte aan een man die mij enorm wist te boeien en te inspireren.

Toen GJ in 1980 in Amsterdam de beschikking kreeg over zijn eigen grachtentuin stapte zijn moeder spoorslags, met zware tassen vol planten (vogelmelk, smeerwortel en salomonszegel) uit de Achterhoek, op de dieseltrein richting Amsterdam.

De bevredigende invulling van de Herengrachttuin was voor Gerritjan de aanleiding om zich aan te melden bij de Nederlandse Tuinenstichting. Hij wist veel van de natuur maar toch groeide in zijn tuin niet alles op grootte, seizoen en kleur zoals hij dat graag wilde.

Gerritjan genoot met volle teugen van dit werk en keek zijn ogen uit in vreemde tuinen en warmde zich aan de gedeelde liefde voor de natuur en kwam altijd wel thuis met een of andere plant.

Tuinarchitect Arend Jan van der Horst stond op Monumentendag in de kraam van de Nederlandse Tuinenstichting voor de deur en Gerritjan Deunk nam de kans waar om kritiek te leveren op het uiterlijk van het (NTs-) Tuinjournaal. ‘Verbeter jij dat dan’ reageerde Arend Jan en Gerritjan heeft, eerst alleen als vormgever en later ook als schrijvend redacteur, van 1990 tot 2000 met veel genoegen meegewerkt aan nummers over bomen, middeleeuwse tuinen, Oost-Nederland, rozen en ornamenten.

De jaren tachtig  van de vorige eeuw waren de gloriedagen van het nieuwe tuinieren. De Nederlandse Tuinenstichting telde bijna 10.000 donateurs en de bussen met donateurs op tuinbezoek waren altijd overboekt. Gerritjan heeft zo’n beetje heel Nederland afgereisd voor het Tuinjournaal. GJ ging op bezoek bij de boerinnentuinclub De bonte Tuinvlo in Dinxperlo waar hij met een kofferbak vol stekjes vertrok. In België was hij een graag geziene gast van gravin Nanda d’ Ursel van kasteel Hex, hij interviewde de gravin voor Résidence over haar vermaarde rozencollectie.

Gerritjan genoot met volle teugen van dit werk en keek zijn ogen uit in vreemde tuinen en warmde zich aan de gedeelde liefde voor de natuur en kwam altijd wel thuis met een of andere plant.

mini 1
Een jonge Gerritjan op bezoek bij Mini Ter Kuile

Stichting De Amsterdamse Grachtentuin werd o.a. door GJ opgericht en als vormgever heeft hij vier boeken geproduceerd waarin alle toegankelijke tuinen aan de hoofdgrachten geïnventariseerd zijn. Illy van Lynden heeft met een aantal dames eindeloos de tuinen bezocht, nagemeten en gekiekt op regenachtige dagen in oktober.

Vanaf 1980 is Grafisch ontwerpbureau Studio Deunk gevestigd in de Amsterdamse Berenstraat. Vanuit deze prachtige locatie midden in de stad heeft GJ een groot aantal advertentiepagina’s vorm gegeven voor mooie klanten zoals; Volkskrant, Trouw en NRC Handelsblad. De ontwerpers van Studio Deunk werkten met veel plezier voor het Nationale Ballet, het Aidsfonds, etc. Ook gaf Studio Deunk in die tijd enkele tijdschriften uit zoals; Gracht & Glorie en Hof & Hulde. In juli 2007 sloot GJ de deur van Studio Deunk, vanaf dan gaat hij verder als ZZP’er. Vanaf augustus 2008 leent hij zich uit aan Studio JA.

In de periode hierna gaat Gerritjan Deunk zich uitsluitend toeleggen op het schrijven van boeken. Het boek Nederlandse Tuin en landschapsarchitectuur van de 20e eeuw en het Tuinboek Nederland waren de hoogtepunten.

De laatste jaren was het oudste tuintijdschrift van Nederland ‘Onze eigen tuin‘, nog opgericht door niemand minder dan Mien Ruys, zijn grote uitdaging. GJ schrijft over de jongste geschiedenis van de tuinkunst en de vormgeving van nieuwe tuinen. Vooral architecten actief  in de jaren zestig interesseren hem, als Warnau, Boer, Bijhouwer, Ruys en anderen. Aandacht heeft hij in deze periode ook voor opkomende ontwerpers en hoveniers zoals Nico Wissing. Ook groen erfgoed en tuinarchitect Tersteeg waren een grote inspiratie voor hem.

Tijdens onze gesprekken was hij ook altijd zeer betrokken bij ontwerpers van nu zoals Preston, Barkman, Boekel en van Boxtel.

Onderwerpen moeten je vertrouwd zijn wil je er zinnig over kunnen schrijven. Ze liggen vaak verassend dichtbij, soms gewoon op schoot.

GJ. Deunk

mb-signature

img107

Gerritjan Deunk bij TuinenStruinen,

Tuinarchitect Dirk Tersteeg in Naarden en ver daarbuiten – Gerritjan Deunk

Wolfgang Oehme: De nalatenschap van de grassenpaus

Central Park en Frederick Olmsted door Gerritjan Deunk

Tuinvedettes uit GJ Deunk’s archief – Mini Ter Kuile

Tuinvedettes uit GJ. Deunk’s archief – Gravin Michel d’Ursel

Tuinvedettes uit GJ. Deunk’s archief – Piet en Anja Oudolf

Tuinvedettes uit GJ Deunk’s Archief – Ineke Greve

Tuinvedettes uit GJ Deunk´s archief – Jan van Opstal en Jo Willems De Heerenhof

Tuinvedettes uit GJ. Deunk’s archief | Rita van der Zalm

Tuinvedette uit Gerritjan Deunk´s Archief – Han Njio

Tuinvedettes uit Gerritjan Deunk´s archief Paul Geerts

Bron Terra Architectura, Tuinjournaal, Onze eigen tuin

Ga naar het bulletin

Ga naar de welkompagina

Carol Klein | Panties, Planten en Motorfietsen

 

Het is weer wachten geworden tot volgend jaar om naar het beste tuinprogramma op tv te kunnen kijken: Gardeners’ World. Veel tuiniers uit ons land volgen het Britse programma al jaren. Monty Don praat de show op een fantastische wijze aan elkaar en weet ons met zijn ongelofelijk grote kennis over planten, tuinen en tuinieren telkens te boeien. Toch kan ik meestal niet wachten tot mijn favoriete presentatrice in beeld komt: Carol Klein.

Wat is dat toch een heerlijk mens, alleen al haar stem maakt mij vrolijk en ik ben ervan overtuigd dat velen mijn mening delen. Het enthousiasme waarmee zij onderwerpen in de show behandeld is intens en oprecht. Het afgelopen seizoen konden wij haar volgen in het begeleiden van een jong stel bij het opstarten van hun eigen tuin. Daarnaast bezocht zij in iedere show een tuin met een specifieke plantcollectie. Telkens doet zij dit op zo’n wijze dat zij het bij mij zelfs voor elkaar zou krijgen om een brandnetel in mijn tuin te zetten, als zij het maar zegt.

Carol Klein (1945) werd geboren in het stadje Walkden in het Engelse graafschap Lancashire. Hier bracht zij samen met haar twee broers haar jeugd door. Haar jeugd beschrijft zij zelf als een mix van veel plezier, maar helaas toch ook met wat frustratie. Haar vader had in Walkden zijn eigen tv/audiospeciaalzaak maar in werkelijkheid kwam het op haar moeder aan om deze onderneming te runnen. Haar vader was er een van lang leve de lol en zijn passie lag meer in de richting van motorfietsen, alcohol en lol maken. Haar vader had ook absoluut de pest aan tuinieren en zag hier geen toekomst in voor zijn dochter.

NPG P1026(20); Carol Klein by Tessa Traeger

De liefde voor snelheid en motorfietsen heeft zij dan ook van haar vader. ‘ Mijn broers proberen het mij nog uit mijn hoofd te praten maar ik denk er serieus over om een motorfiets aan te schaffen. In mijn tienerjaren bezat ik samen met wat vriendjes een Matchless 350.’

Op haar vijftiende besloot Carol om met school te stoppen. ‘ Ik besloot om te stoppen omdat ik er niet ver vanaf was om er vanaf gestuurd te worden, ik was ze maar voor.  Graag had ik naar de Kunstacademie gegaan maar mijn vader zag dit helemaal niet zitten waardoor ik uiteindelijk ben gaan werken.’ Carol ging werken in de grote stad Manchester, waar zij panty’s en fournituren verkocht in de Kendal Milne department store.

Carol-Klein_1798303c

De liefde voor tuinieren heeft zij van haar moeder die hier zelf weliswaar niet vaak aan toe kwam. Haar grootvader had een volkstuin waar ze vaak was te vinden. ‘ Mijn eerste lessen in tuinieren kreeg ik van mijn opa en mijn moeder. Hangend over het tuinhek had ik vaak gesprekken met andere tuiniers, iets wat tegenwoordig bijna ondenkbaar is als jonge meid.’

Uiteindelijk hing Carol de panties aan de wilgen en behaalde haar felbegeerde diploma aan de kunstacademie. Voordat Carol met haar man Neil naar Devon verhuisde was ze een tijdje docent op een school in Londen. In Devon begon Carol met het opbouwen van haar eigen kwekerij en was daarnaast druk als moeder van haar twee dochters. Carol is een specialist in Cottage Gardens en kweekt dan ook voornamelijk planten die goed in dit soort tuinen passen.

‘Ik geloof niet in groene vingers, toen ik ging lesgeven in kunst realiseerde ik mij dat iedereen kan tekenen en ik denk dat ook iedereen kan tuinieren. Mijn beste advies is om goed te kijken. Observeer goed wat er allemaal gebeurt in je tuin. In elke tuin maakt de natuur de wet uit, je hoeft alleen maar het zelfde na te streven. Als je een plant hebt die het goed doet langs de kust moet je hem niet in kleigrond gaan planten. Verder heb je veel geduld nodig als tuinier.’

carol

Carol Klein kijkt met veel plezier uit naar het tv-seizoen van 2015. Ze heeft net weer een week van opnames achter de rug voor een nieuwe serie shows die zij gaat presenteren op BBC 2:  Plant Odysseys. Hierin gaat ze de weg behandelen die bepaalde planten – roos/iris/tulp/klaproos – hebben afgelegd vanuit de wilde flora tot in onze tuinen. Binnenkort gaat zij voor deze productie een reis naar Kazachstan maken en hier heeft ze ontzettend veel zin in.

 

GO WILD! Geschiedenis van de Natuurstijl in de tuin

De laatste jaren is er volop belangstelling voor de Natuurrijke Tuin. In ons eigen land waren het tuinpioniers zoals o.a. Piet Oudolf, Rob Leopold, Henk Gerritsen en Ton ter Linden die internationaal bekendheid kregen met deze tuinstijl als Dutch Wave. Ook in andere landen waren er ondertussen tuinontwerpers, als bijvoorbeeld: Dan Pearson en Roy Diblik, drukdoende met hun ontwerpen waarin voornamelijk vaste planten (en grassen) een plek kregen. De New Perennial Movement was geboren!

Allen waren zij bezig met een wijze van beplanten waarbij de natuur zijn intrede deed in de tuin. Ton ter Linden noemt het toepasselijk het begeleiden van een tuin. Natuur is de inspiratiebron. Er wordt meer de nadruk gelegd op ecologisch verantwoorde plantcombinaties dan op de individuele plant.

In de tuinenwereld speelt momenteel de discussie: New Perennial Movement, een nieuwe tuinstijl of een (voorbijgaande ) trend?

De natuurtuin past in een tijdsgeest waarin er meer aandacht ontstaat voor het milieu. Privétuinen en openbaar groen worden door deze tuinstijl duurzamer en vergroten de biodiversiteit. Ook spelen deze tuinen een steeds grotere rol in bijvoorbeeld waterbeheer. Ook de beleving van de natuurtuin speelt een steeds grotere rol. Stedelingen, in hun beton-jungle,  verlangen steeds meer naar natuur en voelen zich prettig in hun stukjes nagebootste natuur.

De natuurtuin wint aan populariteit en wordt steeds vaker toegepast. Je kunt hier dus spreken van een duidelijke trend of mode ingegeven door een verlangen naar natuur en/of bewust gekozen vanwege de milieuaspecten. De tuinstijl zelf is zeker geen trend of nieuwkomer in de internationale tuinarchitectuur.

De natuurstijl heeft als belangrijke stroming binnen de tuinarchitectuur al een lange geschiedenis. Vanaf 1870 is er in de Engelse tuinarchitectuur een nieuwe stroming merkbaar. In de verwerking van bloeiende planten in de landschappelijke aanleg neemt men de natuur als voorbeeld.

De belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming is William Robinson (1838-1935), landschapsarchitect en schrijver. Robinson is voorstander van de landschapsstijl, maar een fanatiek tegenstander van de stiive mozaïekperken met eenjarigen. Wlliam Robinson propageert de aanplant van vaste planten in natuurlijke groepen. Hij schrijft zelfs over de ‘Mixed Border’, maar dan wel aangeplant op een afgelegen plek in de landschappelijke aanleg of in de moestuin.

Robinson is in deze tijd hoofdredacteur van het tijdschrift: The Garden, waar in 1875 tuinarchitecte en publiciste Gertrude Jekyll (1843-1932) artikelen voor schrijft. Het is Gertrude Jekyll die de ideeën van Robinson als het ware verder uitwerkt. Ook zij is voorstander van een natuurlijke groepering waarbij ze veel nadruk legt op kleurgebruik. Dit blijkt duidelijk uit haar publikaties, die bijna allemaal verschijnen tussen 1899 en 1912. Ze noemt hier ook duidelijk haar voorkeur voor vaste en wilde planten. Gertrude Jekyll heeft een voorliefde voor de Arts and Crafts beweging. Haar tuinontwerpen hebben een duidelijk strakke aanleg waarbij zij gebruik maakt van vaste en inheemse planten.

De meer natuurlijke wijze waarin William Robinson en Gertrude Jekyll ontwerpen komt mede voort uit een heimwee die er in deze periode in Engeland heerst naar het landelijke en rustige leven. Deze heimwee is een reactie op de steeds verder oprukkende industrialisatie. Wat dit betreft is de link met de tegewoordige tijd makkelijk te leggen. Ook nu zorgt de beton-jungle voor een verlangen naar natuur.

Iets later als in Engeland, rond de vorige eeuwwisseling, begint er bij onze oosterburen ook iets te veranderen. In Duitsland verschijnt in 1907 het boek: Gartengestaltung der Neuzeit. Het boek geschreven door Willy Lange en de architect Otto Stahn beschrijft uitgebreid de ‘Naturgarten’. Hier kunnen we uit opmaken dat de ‘wilde’ tuin ook in Duitsland zijn intrede heeft gedaan.

In de Naturgarten vormt de beplanting een duidelijke hoofdrol. De planten worden bijeengezet in groepen zoals die ook in de natuur kunnen voorkomen. Willy Lange onderschrijft hiermee de ideeën van de Engelsman William Robinson.  Robinson heeft daarbij nog de traditionele landschapsstijl voor ogen. De Duitsers gaan wat verder en leggen de nadruk meer op het biologische aspect van een dergelijke tuin.

Naast de landschapsstijl en de nieuw-architectonische stijl ontstaat in Nederland eveneens een voorkeur voor de ‘wilde tuin’, deze wordt dan al toepasselijk ‘Natuurstijl’ genoemd. Geertruida Carelsen en H.O. van Linden Snelrewaard pleiten hier al omstreeks 1890 voor. Het is onder invloed van William Robinson en Gertrude Jekyll dat deze stijl ook in Nederland tot ontwikkeling komt. Het gevolg is dat men na 1900 meer aandacht gaat besteden aan winterharde, inheemse plantensoorten. Dit in tegenstelling tot het gebruik van de vele exotische soorten van de negentiende eeuw. De keuze voor deze ‘nieuwe’ planten is ook te danken aan de invloed die de publicaties van Jac. P. Thijsse hebben, waarvan het grootste gedeelte verschijnt tussen 1894 en 1910.

Een goed voorbeeld van deze nieuwe plantenkeuze is het werk van John Bergmans. Zijn ontwerpen tonen tot 1940 nog steeds eigenschappen van de nieuw architectonische aanleg, maar zijn tuinen zijn veel meer met planten ‘aangekleed’.

In de jaren twintig van de vorige eeuw komt in de Nederlandse tuinarchitectuur de nadruk steeds meer op beplanting te liggen. In de uitbundige bloemenborders worden voornamelijk vaste planten en kleinere heesters op een natuurlijke wijze gerangschikt. Het werk van Robinson en Jekyll, Wild Gardening in mixed Borders and Herbaceous Borders, geniet in het Nederland van voor 1940 ruime bekendheid en waardering. De vraag naar deze borders werd ook aangewakkerd door het sterk toegenomen plantensortiment.

gravetye dusk with eremurus
Gravetye Manor William Robinson

Opvallend is het dat in deze periode (1900-1940) vrouwelijke tuinarchitecten op de voorgrond traden. Deze groep tuinarchitecten voelen zich duidelijk meer aangesproken tot de beplanting dan tot de architectonische tuinstijl. Tot deze groep ‘Beplantingsdeskundigen’ zijn onder meer Mien Ruys (vanaf 1925), Tine Cool (vanaf 1919), en Renske Boon (vanaf 1930) te rekenen. Ook tuinarchitecten Th. J. Dinn en H. Roeters van Lennep gingen zich veelvuldig bezig houden met de invulling van de borders. Dit kwam vooral door hun verbintenis aan kwekerij Van Tubergen. Het was toen al mogelijk om bij deze kwekerij specifieke beplantingsplannen voor borders te laten maken, tegen een vast tarief per vierkante meter.

Mien Ruys is in de tweede helft van de vorige eeuw zonder meer de tuin en landschapsarchitect geweest  met de meeste invloed. Voor een groot gedeelte heeft zij bepaald hoe ons openbaar groen en de privétuinen er uit kwamen te zien. Al in een vroeg stadium in haar (lange) loopbaan raakt zij geïnspireerd door vaste planten.   Haar vader had een internationaal gerenommeerde kwekerij van vaste planten, Moerheim geheten, waarvoor hij al sinds 1896 catalogi uitbracht, inclusief beplantingsadviezen. In 1904, het geboortejaar van Mien, had de kwekerij het predikaat ‘koninklijke’ verkregen.

In 1928 ging Mien Ruys in de leer bij de afdeling tuinarchitectuur van een kwekerij in Tunbridge Wells (Engeland), waar ze ingewijd werd in het ontwerpen en tekenen van tuinen en het (bege)leiden van de aanleg daarvan. Ze bezocht toen ook de befaamde tuinarchitecte Gertrude Jekyll, een goede kennis van haar vader. 

In 1955 richtte Mien Ruys samen met haar echtgenoot (uitgever) Theo Moussault het kwartaalblad Onze Eigen Tuin op. Hierdoor weet zij ook de “gewone” tuinier te bereiken en enthousiast te maken in het gebruiken van vaste planten in de tuin. Eerder publiceerde zij al Borders: hoe men ze maakt en onderhoudt (1939) en het befaamde Vaste Planten Boek (1950), het is vooral dit boek wat een grote invloed heeft in hoe wij zijn gaan tuinieren na de Tweede wereldoorlog.

In het Vaste Planten boek schrijft zij: Sommigen menen, dat deze vaste-planten-groepen en borders een mode-gril zijn, maar zolang we geen betere wijze weten te vinden om de vaste planten te groeperen, zullen er borders blijven. De grootste bekoring er van ligt misschien hierin, dat we zo de natuurlijkste ontplooiing kunnen geven in een toch door de mens gewilde vorm. Er is een eideloos kleuren- en vormenspel mogelijk, zonder de stijfheid en onnatuurlijkheid van de vroegere perken, want we zien bloemen bijeen in knop, planten in volle ontwikkeling naast uitgebloeide soorten. Ook de laatsten behouden een plaats in de border en zo leren we de planten waarderen, juist in deze opeenvolgende stadia en niet alleen als kleurvak. Maar ook deze nieuwe wijze om schoonheid in de tuin te brengen is geen eindpunt. De mens zal veranderen en zijn houding ten opzichte van de tuin zal zich wijzigen; er zullen nieuwe wegen ontdekt worden en er komen nieuwe planten.

Duidelijk wordt dan al dat we worden geleerd anders naar de plant te kijken en juist ook de lange periode dat een (vaste) plant is uitgebloeid te leren waarderen. Mien Ruys: Zelfs afgestorven bloemen kunnen van een ontroerende schoonheid zijn, dofgrijs wordt de kogeldistel, maar fluwelig-bruin glanzen de uitgebloeide bloemen van Telekia tot diep in de winter.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn in Nederland, zonder het in eerste instantie van elkaar te weten, enkele tuinlieden drukdoende in het verder ontwikkelen van de tuin in de natuurstijl. Er ontstaan verschillende stromingen in stijl met het verwerken van voornamelijk inheemse vaste planten en grassoorten die internationaal bekendheid krijgen onder de naam: Dutch Wave. Gras is hierbij een welkome aanvulling in het sortiment aan planten voor de tuinen in natuurstijl. Bekende ontwerpers kweken hun eigen (inheemse) vaste planten waardoor de natuurstijl ook een duurzaam karakter krijgt.

Een droomborder van Ton ter Linden in Ruinen
Een droomborder van Ton ter Linden in Ruinen foto Gert Tabak

De bekende kunstschilder Ton ter Linden heeft zijn inspiratie van Mien Ruys, maar ook zijn bezoeken aan het Jac. P. Thijssepark in Amstelveen inspireren hem bij het maken van zijn droomborders. Vooral de jaren dat hij werkzaam is in zijn tuin in Ruinen (Drente) maken hem tot een internationale bekendheid. Ton’s borders hebben een schilderachtig uiterlijk en zijn minder gebaseerd op ecologie. Ton ter Linden ontwerpt in deze periode ook tuinen voor anderen maar kiest er duidelijk voor om zijn ideeën zoveel mogelijk in zijn eigen tuin te verwezenlijken. Henk Gerritsen brengt in zijn Prionatuinen wilde plantsoorten samen met gecultiveerde soorten. Zijn ontwerpen hebben een verbazingwekkende vrije en natuurlijke uitstraling. Hij gebruikt vaste planten maar ook eenjarige en kruiden in een gecontroleerde informaliteit. Vooral een jonge generatie tuiniers voelt zich aangesproken tot zijn beplantingswijze. Henk Gerritsen heeft bij zijn plantenkeuze veel aandacht voor het dierenleven in de tuin, zijn vlindertuin is een begrip.

Rob Leopold is de verbindende factor binnen de Dutch Wave, zijn inspanningen maken de nieuwe natuurstijl op zijn Nederlands internationaal tot een begrip. Met zijn kwekerij De Cruijdthoeck experimenteert hij veel met zadenmengsels. Rob Leopold ziet eenjargen als de finishing touch in de natuurtuin. Jacqueline van der Kloet is in deze periode volop aan het experimenteren met vaste planten in combinatie met bolgewassen. Internationaal krijgt zij veel waardering voor haar wijze van ontwerpen. Ook werkt zij bij sommige van haar projecten samen met Piet Oudolf, waarbij zij verantwoordelijk is voor bijvoorbeeld het bollenontwerp van de Lurie Garden in Chicago.

new yok botanic revision.tif

Piet Oudolf is de globetrotter binnen de Dutch Wave. Zijn ontwerpen zijn op veel plekken in de wereld begrippen geworden. Piet´s passie voor planten werd gestimuleerd toen hij in 1977 Engeland bezocht. Hij bezocht o.a. Hidcote Manor en Bressingham Gardens van Alan Bloom. Bij een bezoek aan de tuin en kwekerij van Beth Chatto raakt hij zeer onder de indruk van de wijze hoe zij haar kwekerij vorm geeft, haar kwekerij inspireerd Piet om ook zelf planten te kweken. Dit voor een groot deel ook uit fustratie omdat hij niet de soort planten kan krijgen die hij het liefst verwerkt in zijn ontwerpen.

Piet en Anja Oudolf beginnen in 1982 een kwekerij in het Gelderse Hummelo. Piet heeft zijn succes voor een groot gedeelte te danken aan zijn zeer zorgvuldige plantenselectie. Hij selecteerde van de verkregen soorten de vormen die hem waardevol leken voor de tuin. Bepaalde geslachten hadden zijn speciale aandacht, asters, astrantia´s, monarda´s en sanguisorba´s.

Vanaf de jaren negentig wordt er veelal gewerkt met een nieuw verkregen sortiment planten. Deze planten zijn hoofdzakelijk afkomstig uit Europa en Noord Amerika. Doordat de planten voor ons inheems zijn en dus gewend aan de lokale omstandigheden krijgen de tuinontwerpen een duurzaam karakter. Meer dan ooit tevoren in de tuinarchitectuur speelt ecologie een belangrijke rol. Succesvol gebleken combinatie´s van inheemse planten zijn belangrijker geworden dan de individuele plant. Vorm, textuur en het afterlife van de plant zijn belangrijker dan de kleur. In de ontwerpen speelt de transparantie van een plant ook een belangrijke rol. Zie hier meer over in dit bericht bij TuinenStruinen, GO WILD Deel 1.

Een gedeelte van Tokachi Millennium Forest van Dan Pearson
Een gedeelte van Tokachi Millennium Forest van Dan Pearson

Ook in andere landen wordt er niet stil gezeten. Internationaal krijgen de ontwerpers en kwekers van de tuinen in natuurstijl de naam New Perennial Movement. De bekende Britse tuinontwerper Dan Pearson heeft een ongekende plantenkennis en durft experimenteel te zijn.  In samenwerking met landschapsarchitect Fumiaki Tanako is Dan Pearson verantwoordelijk voor het ontwerp van het Tokachi Millennium Forest in het Japanse Hokkaido met een oppervlakte van 240 ha. De Amerikaan Roy Diblik heeft een kwekerij in het zuiden van Wisconsin, Diblik was hier een van de eerste die inheemse vaste planten in potten kweekte.

Roy Diblik heeft een systeem ontwikkeld dat het Know Maintenance systeem genoemd wordt. De beplantingen zijn bedoeld voor tuineigenaren in zijn regio. De beplanting is gebaseerd op segmenten van 2,4 x 3,7 meter die verdeeld zijn in een grid van vierkanten van 30 cm. Deze segmenten kunnen herhaald worden als een modulair systeem waarbij hij tussen elke module verbindende planten gebruikt. In het boek dat hij voor de tuinier schreef geeft hij 40 voorbeelden. Uitgangspunt is hierbij om de tuinier de kennis te geven en dit als startpunt te gebruiken voor het maken van eigen combinaties.

De Inclusieve Tuin van Carrie Preston en Jasper Helmantel foto Marion Tiem
De Inclusieve Tuin van Carrie Preston en Jasper Helmantel foto Marion Tiem

In Nederland ontwerpt Carrie Preston samen met Jasper Helmantel, de eigenaar van kwekerij De Cruydthoeck, ‘de Inclusieve tuin’ een project van Groei & Bloei samen met VARA’S Vroege vogels. Samen maken deze twee tuinontwerpers een aantal ontwerpen waarin er weer plaats is voor planten, voornamelijk inheems, en waarin veel aandacht is besteed aan biodiversiteit.

De Natuurstijl is als stroming binnen de tuinarchitectuur duidelijk aanwezig vanaf 1870. De tijdsgeest en het plantensortiment bepalen het uiterlijk ervan. Een nieuwe generatie tuinontwerpers zijn geìnspireerd door de meesters van de Dutch Wave. Een voorbeeld van een tuinontwerper uit deze generatie is de Amerikaan Adam Woodruff die Piet Oudolf en Roy Diblik noemt als zijn inspiratiebronnen.

ja 5a
Jones Road Garden door Adam Woodruff

Bekijk hier alle berichten in de serie GO WILD!

Klik hier om naar de Welkom-pagina te gaan

Jamie Butterworth, de groene all-rounder

Hij wist op jonge leeftijd al dat tuinbouw zijn ding zou gaan worden. In zijn tienertijd kreeg hij de beschikking over de tuin van zijn oma om te gaan experimenteren. Dat Jamie Butterworth (24) een echt natuurtalent is bleek al snel toen hij in 2019 een spectaculair resultaat behaalde op de RHS Chatworth Flower Show.

Voor TuinenStruinen genoeg reden om aandacht aan Jamie te besteden.

De winnende tuin op de RHS Chatsworth Flower Show 2019 door Jamie Butterworth foto credit; Wedgwood

De eerste tuin die hij heeft aangelegd was op twaalfjarige leeftijd. Zijn grootouders gaven hem de vrije hand, dit resulteerde in een biologische moestuin. Op zestienjarige leeftijd behaalde hij de titel Young Gardener of the Year. Later zou hij nog ervaring opdoen als Show Plant Manager bij Hortus Loci in Hampshire, hij kweekte daar planten voor diverse tuinen op RHS Chelsea Flower Shows. Tevens heeft hij een boek over planten geschreven.

De RHS Chatworth Flower Show is nog een redelijk nieuw evenement van de Britse Royal Horticulture Society en wordt elk jaar georganiseerd op het grote terrein van landgoed Chatsworth. In 2019 werd geschiedenis geschreven op deze show, de tuin van het Britse Wedgewood ontworpen door Jamie Butterworth won niet alleen een gouden medaille maar ook ‘Best Show Garden’, ‘ Best Construction award’ en werd tevens door het publiek gekozen als; ‘People’s Choice Award 2019’. Het is de eerste keer (in de meer dan 100 jaar) lange geschiedenis van de RHS Flower Shows dat één tuin deze vier prijzen won.

De prijswinnende tuin van Jamie Butterworth is wat kleuren betreft geïnspireerd door de Wedgewood aardewerkserie ‘Jasper’, maar tevens door het bekende blauw van het bekende merk Wedgewood. We zien dus veel het gebruik van blauw. Het gravel (Gold path) is een product van Stone Warehouse een dochteronderneming van Wedgwood. Volgens Butterworth werkte het uitstekend om de verschillende onderdelen van het ontwerp met elkaar te verbinden.

foto credit; Wedgwood
De winnende tuin op de RHS Chatsworth Flower Show 2019 door Jamie Butterworth foto credit; Wedgwood
De winnende tuin op de RHS Chatsworth Flower Show 2019 door Jamie Butterworth foto credit; Wedgwood
De winnende tuin op de RHS Chatsworth Flower Show 2019 door Jamie Butterworth foto credit; Wedgwood

Door de Royal Horticulture Society werd Jamie gevraagd om ambassadeur voor hen te worden, iets wat hij een grote eer vind. Momenteel is hij dan ook een van de acht RHS ambassadeurs. Hij is hier in goed gezelschap, andere ambassadeurs zijn o.a Mary Berry, Alan Titchmarsh en Nick Knowles.

Regelmatig bezoekt hij nu scholen, in het hele V.K, om met veel passie tuinbouw te promoten als studierichting en de vele kanten die tuinbouw bevat. Volgens hem heeft horticulture een serieus imagoprobleem. Veel van de jongeren denken alleen aan het vak van hovenier. De leerlingen hebben geen idee hoe talrijk de studierichtingen zijn en de vele mogelijkheden om carrière te maken.

De winnende onderscheidingen op RHS Chatsworth Flower Show 2019 door Jamie Butterworth foto credit; Wedgwood

Volgens Jamie Butterworth is tuinbouw het vak van de toekomst en kunnen tuinen de wereld redden. Met de nieuwe mogelijkheden is het immers mogelijk om ook op kleine oppervlaktes tuinen te maken.

Jamie is ook de tuinexpert bij de BBC Radio London, waar hij elke zondagochtend zijn tuinadviezen geeft.

TuinenStruinen 5 jaar, eerste Lustrum Top 10

rb22
3 – (Anne Boleyn) David Austin rozen voor de gemengde border

19 mei 2017

In de vijf jaar dat TuinenStruinen nu bestaat zijn de onderwerpen op de site van een steeds breder karakter geworden. Een tuin heeft immers zoveel meer te bieden als alleen de schoonheid. De verdieping van wat tuinen te bieden hebben heeft een steeds grotere plek ingenomen bij TuinenStruinen.

Een tuin heeft belangrijke eigenschappen waardoor tuiniers vaak vallen onder de meest gelukkige mensen in ons land. Een tuin heeft een grote rol om onze (drukke) geest te helpen en tot rust te laten komen.

Naast de schoonheid van onze tuinen en het gevoel van geluk te bieden zijn tuinen een belangrijke schakel om de gevolgen van het veranderde klimaat te helpen aanpakken.

TuinenStruinen wil u inspireren om veel planten te gebruiken, hier kunt u als goede en verantwoordelijke tuinier een bepaalde sfeer neer zetten en tevens maatregelen te nemen om de tuin duurzamer te maken en de biodiversiteit te vergroten.

Ton ter Linden in zijn (voormalige) tuin in De Veenhoop. Foto: Gert Tabak

Bij TuinenStruinen zijn er veel berichten te vinden om de schoonheid te combineren met bijvoorbeeld elementen van een regentuin. De afgelopen vijf jaar zagen wij de natuurrijke tuin steeds populairder worden. In de komende vijf jaar zal er een grote inzet nodig zijn om onze tuinen klaar te maken voor de grote gevolgen van het veranderde klimaat.

De komende vijf jaar kunt u veel raad en daad verwachten van TuinenStruinen over de diepere lagen van tuinieren. Door veel informatie te bieden hopen wij u de komende vijf jaar ter zijde te staan en zo samen door deze belangrijke tijden te komen.

Op naar het tweede lustrum!!

10 – Jones Road Garden – Naturalistisch tuinontwerp van Adam Woodruff

Click op een bericht om het te bekijken:

10  Adam Woodruff: Jones Road Prairie Garden 

9 Ton ter Linden: van Jac. P. Thijssepark tot De Veenhoop

8 Stadstuin van 70 m2 met zwembad. De Peppels Tuinen

7  De Rozenliefde van lady Vita Sackville West

6  GO WILD! Een Wilde Bloemenweide in uw tuin

5  Een mooie haag is de trots van elke tuinliefhebber

4  Een border á la Ton ter Linden

3  David Austin rozen voor de gemengde border

 Ineke Greve Huys de Dohm: aan elk feest komt een einde

1  GO WILD! Een gids voor het maken van een ‘Natuurlijke’ Tuin

7 – Lady Vita Sackville West

Het was een grote schok om te vernemen dat de door velen zo geliefde publicist Gerritjan Deunk was overleden. TuinenStruinen is de plek op het internet waar zijn prachtige verhalen een plek hebben gekregen en daar ben ik trots op! Gerritjan was een warme persoonlijkheid en had een enorme kennis van zaken over groen erfgoed en o.a meer over Nederlandse tuin en landschapsarchitectuur.  Gerritjan, reuze bedankt !

tuinenstruinen.org bedankt de volgende personen voor hun positieve bijdrage aan de site:

Carrie Preston, Harry Pierik, Ton ter Linden, Gert Tabak, Tanja van der Knoop, Noël van Mierlo e.v.a.

En dan niet te vergeten, u als lezer en/of regelmatige bezoeker.

Ga naar de Welkompagina

Tussen groen en grijs, een verkenning van tuinen en tuinieren in Nederland – LONG READ

Uit veel onderzoeken blijkt dat tuinieren op vele vlakken een positieve uitwerking heeft op ons gevoel van welzijn. Wonen in een groene omgeving vinden wij belangrijk en prettig, bovendien zijn huizen in een groene omgeving ongeveer 15% meer waard en is er in deze buurten minder criminaliteit. Daarnaast hebben onze (groene) tuinen een positieve invloed in de vorm van onder meer een gunstiger microklimaat, het vergroten van de biodiversiteit en betere opname van regenwater.

In Nederland heeft maar liefst 70% van de huiseigenaren en huurders de beschikking over een tuin bij huis. Binnen Europa heeft alleen het Verenigd Koninkrijk meer tuin bij huis. De afgelopen (crisis) jaren schoten de buurttuinen als paddestoelen uit de grond. Veel terreinen met een bouwbestemming bleven braak liggen i.v.m de crisis, veel bouwplannen worden nu, bij een betere economie, weer uit het archief gehaald.

braak

Bij onderzoeken naar tuinen is er volop aandacht voor bijzondere tuinen zoals landgoederen en kasteeltuinen en parken, bij de particuliere tuin is er slechts een geringe aandacht voor onderzoek. Er is weinig aandacht voor natuurwaarde van de particuliere tuin om de reden dat natuur over het algemeen wordt geassocieerd met grote natuurparken. De aandacht die er was voor onderzoek ging meestal naar de effecten voor onze gezondheid. Het Productschap Tuinbouw doet vanaf 2002 onderzoek naar de drijfveren en voorkeuren van Nederlandse tuinbezitters. Bij dit onderzoek blijkt dat voor een deel van de tuinbezitters tuinieren absoluut geen feestje is, tuinieren is voor deze groep een noodzakelijk kwaad.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau heeft voor het eerst een grootschalig onderzoek naar tuinen en tuiniers in Nederland gedaan. Dit is een samenvatting van het CPB-onderzoek:

Tuinen en tuinieren in Nederland

In dit hoofdstuk is kort een stedenbouwkundige van de geschiedenis geschetst in relatie tot het thema ‘tuin en tuinieren’  Daarbij is in de loop van de twintigste eeuw de vraag opgekomen of tuinieren een heilzame en aangename vrijetijdsbesteding is of juist een vorm van werk die de burger bespaard zou moeten worden.

Waar in vroeger eeuwen de nutsvoorziening een belangrijk pluspunt van een eigen tuin was, heeft de massaproductie van groenten, fruit en bloemen tegen zeer aanvaardbare prijzen deze functie naar de achtergrond gedrongen. Tegelijkertijd zien we juist die functie weer naar voren komen in volkstuinen en buurtmoestuinen. Het gaat dan om extra verse, biologisch geteelde of cultuureigen groenten, de nabijheid van de teelt en zeker ook het educatieve aspect: kinderen leren waar voedsel vandaan komt.

Tuinstad Amsterdam west

Tuinstad Amsterdam west

De tuinstadgedachte ging uit van tuinieren als vormende vrijetijdsbesteding die mensen in contact bracht met de natuur en die de huiselijkheid bevorderde. Daarentegen zagen de
modernisten tuinieren als werk dat niet paste in een woonomgeving, waar mensen juist moesten recupereren van de arbeid. Publiek groen was het gevolg, maar deze groenaanleg was vaak weinig inspirerend. De publieke ruimte was bedoeld voor sport en spel en ontmoeting.

Tuinarchitect Mien Ruys achter haar tekentafel
Tuinarchitect Mien Ruys achter haar tekentafel

Dit neemt niet weg dat er wel voorbeelden waren van interessante tuinen in de
publieke ruimte, zoals die van Mien Ruys. De tuindorpen waren in Nederland weinig talrijk, net als in Engeland, maar werden wel het archetype voor naoorlogse, suburbane stadsuitbreidingen, waar eengezinshuizen met een eigen tuin domineren. Het woningtype is zo algemeen (70% van de huidige woningvoorraad) dat het niet per se bewoners rekruteert die graag tuinieren. De keuze voor een tuin wordt ook ingegeven door waarden als vrijheid en de behoefte aan sociaal contact in een beschutte, eigen omgeving.

Naast de vraag of bewoners wel blij moesten zijn met een tuin, ging de discussie erover of de privétuin ten volle mag worden toegeëigend en vormgegeven door de bewoners, of dat ook mag worden gevraagd voor meer publieke belangen, zoals een fraai aanzicht. Dat laatste hield in tuindorpen bijvoorbeeld restricties in ten aanzien van schuttingen en andere bouwsels op het erf, en het verbod op een moestuin als voortuin; soms plantte de verhuurder zelf bomen aan in de voortuinen. Dergelijke voorschriften zijn in het licht van de latere individualisering moeilijk voorstelbaar geworden, maar er waren ook sturingspogingen die meer op aanmoediging geënt waren, zoals tuinkeuringen en  wedstrijden. Vooral de oudere generaties staan nog het dichtst bij vroegere promotiecampagnes voor tuinieren en kamerplanten kweken, hoewel inmiddels ook de oudste Nederlanders van na de Floraliaoffensieven zijn.

In de tuininrichting waren bij professioneel aangelegde parken en grote tuinen modes te onderkennen, zoals de geometrische en gedecoreerde Frans-classicistische stijl en de Engelse landschapsstijl, waarbij tuin en landschap in elkaar overliepen. De meer ingetogen Hollands-classicistische stijl met verschillende tuinkamers leende zich goed voor kleinere tuinen, net als de meer romantische, bloemrijke cottagetuin. Vanaf de jaren zeventig werd het repertoire aangevuld met meer wilde of natuurlijke tuinen.

Detail natuurlijke tuin, Piet Oudolf
Detail natuurlijke tuin, Piet Oudolf

Hieronder komen de verschillende thema’s uit dit onderzoek nader aan de orde, zoals de vraag voor wie tuinieren een leuke vrijetijdsbesteding is en voor wie niet. Ook komt hierin het thema ‘voedselproductie’ terug, omdat het in de stadslandbouw weer actueel is geworden. De kwestie van de inrichting van de privétuin in relatie tot het meer publieke belang van de tuininrichting komt weer aan de orde, net als aanmoedigingspogingen om dat meer publieke belang te behartigen.

Hoe zien onze tuinen eruit en wie zijn de tuiniers?

In dit stuk beschreven we een aantal kenmerken van Nederlandse tuinen en tuiniers en voerden we een eerste verkenning uit naar verklaringen voor groene of juist grijze tuinen en voor de hoeveelheid tijd die mensen aan hun tuin besteden. Ongeveer 70% van de Nederlandse huizen is een eengezinshuis met een tuin erbij. De bewoners moeten dan wel iets met hun tuin doen, ook als hun interesse er niet naar uitgaat. Ruim de helft van de Nederlanders zegt te tuinieren in de eigen tuin, wat betekent dat er ook mensen moeten zijn die niet in hun eigen tuin werken en dat overlaten aan bijvoorbeeld hun partner, of aan een tuinman of andere hulp. Het laatste komt vooral voor als mensen een grote, groene tuin hebben en niet onbemiddeld zijn.

De meeste tuinen zijn gedeeltelijk beplant. Voor de achtertuin is het logisch dat een deel van de tuin bestraat is als zithoek, of om fietsen en vuilcontainers te stallen. De meeste achtertuinen zijn dan ook voor minimaal een kwart van de oppervlakte bestraat, oplopend tot helemaal bestraat. Ongeveer een kwart van de tuinen is juist vrij groen. De belangrijkste voorspeller van een groene tuin is zijn omvang: hoe groter, des te groener. Ook voortuinen zijn in de meeste gevallen meer bestraat dan nodig is om het huis te bereiken of de ramen te lappen. Slechts 17% had de voortuin in 2006 helemaal beplant. Vermoedelijk is dat aandeel nadien gedaald, want de bestratingstrend zette door tussen 2002 en 2011 (Linssen 2011).

Oudere tuinbezitters zijn belangrijke voorspellers voor een groene tuin, net als hoogopgeleide bewoners. De beschikking over tijd is niet de enige factor, want uitkeringsgerechtigden hebben juist vaker de tuin bestraat. Wel zien we dat een werkende vrouw ten koste gaat van groen in de tuin, net als de zorg voor wat grotere kinderen. Een wat ander beeld bestaat in groene tuinen waarin ook groenten of fruit te vinden zijn. Hierbij past een hoogopgeleid, maar ook een jong publiek. Verder komen de meest versteende tuinen het vaakst voor in suburbane woonmilieus, waar tuinen algemeen zijn en dus niet een heel bijzondere rol hebben gespeeld in de woningkeuze, zoals wel het geval is in centrumstedelijke woonmilieus, waar de grond duur betaald wordt. Ten opzichte van landelijke milieus zijn deze gebieden ook minder onderhevig aan een groene traditie. Ook het parkeren op het eigen erf, vanaf de jaren negentig steeds gangbaarder geworden, lijkt bewoners aan te moedigen om dan maar de hele tuin te bestraten.

Voortuin in de jaren 70. foto; NTs
Voortuin in de jaren 70. foto; NTs

In de voortuinen konden we de samenhang met het tuinbeeld bij de overburen bekijken.
Daarbij bleek het karakter van die tuin de belangrijkste voorspeller voor het uiterlijk van de eigen tuin. Het lijkt erop dat tegeltuinen, maar ook groene voortuinen besmettelijk zijn en letterlijk gespiegeld worden. De persoonskenmerken van mensen die frequent tuinieren en daar veel uren aan besteden, lijken sterk op die van de groene tuiniers. Een groene tuin kost ook veel tijd, net als een volkstuin. Veel tuinieren is gerelateerd aan minder verplichtingen op het gebied van werk en gezin, maar ook aan keuzes voor meer buurtgebonden vrijetijdsbesteding, minder mobiliteit en minder televisiekijken.

Tijd voor tuinieren gaat verrassend genoeg niet ten koste van tijd voor sport en bewegen; tuinieren blijkt zodoende niet de seniore variant van het sporten te zijn. Mensen die veel tijd aan hun tuin besteden, blijken niet socialer te zijn dan anderen; wel hebben ze meer contact met hun naaste buren, via het tuinpad.

Sinds 1975 is het aandeel Nederlanders dat zegt in de eigen tuin te tuinieren constant blijven
schommelen rond de helft van de volwassenen. Het aantal mensen dat in de eigen
volkstuin werkt daalde geleidelijk, vermoedelijk door de afname van het aantal tuinen zonder verblijfsoptie. Zelf planten kweken nam sterk af sinds 1975. Planten worden kant en klaar aangeboden in tuincentra en het zijn vooral de oudere generaties die zelf nog kweken. Onder de naoorlogse generaties nam die activiteit rap af, maar onder de jongste
cohorten leek die daling in 2011 te stagneren.

Tuinieren als vrijetijdsbesteding en expressie van de levensstijl

Vraag tuinbezitters naar de betekenis die de tuin voor ze heeft en de meesten zeggen dat het een plek van rust is. Daarmee leren we nog weinig over de tuinier, die door keihard in de tuin te werken zijn hoofd rust kan geven of op de loungeset het gehele lichaam te rusten legt. Meer onderscheidend is het als mensen aangeven in de tuin actief bezig te zijn en er contact met de natuur te zoeken. Het zijn vooral ouderen en groene tuiniers die dat zeggen. Een minderheid ziet de eigen tuin als visitekaartje bij het huis. Op grond van deze vragen en vele andere naar waarden en vrijetijdsgedrag, onderscheidt het Productschap Tuinbouw vier tot zes tuinsegmenten, die elk een eigen benadering door de commercie verdienen.

ggp-victorygardens2-1943-sfpl-aaa-8494

Zonder de twee tussentypen betreft het de tamelijk tuinaverse typen rood en geel, die weinig interesse in de tuin hebben en deze vooral als gebruiksruimte zien, en de tuiniger blauwe en groene typen. Het eerste is meer status- en resultaatgericht; het groene type houdt van een natuurlijke tuin waarin hij zelf wroet.

Voor Engeland maakte het marketingbureau Mintel een meer robuuste typologie met twee smaken: welgestelde, enthousiaste tuiniers, vaak ouderen, die veel tijd aan hun tuinen spenderen, en de jongere tuiniers met drukke banen en gezinnen, die de tuin als extra kamer gebruiken waarin sociaal contact plaatsheeft, maar waarin weinig getuinierd wordt. Interessant daarbij is dat de commercie zich vooral lijkt te richten op de trendgevoelige typen die zelf niet zo graag de handen in de grond steken.

Kanalen om tuinideeën op te doen zijn de winkels, met name tuincentra, bladen en de directe omgeving. Het grootste aanbod van ideeën betreft instanttuinen – tuinen die snel resultaat geven door de aankoop van grotere potplanten en veel levenloze elementen die helemaal niet hoeven te groeien.

Dat velen zeggen ook in hun omgeving inspiratie op te doen, vond in hoofdstuk 3 steun bij de ‘besmettingsthese’: de tuininrichting van de overburen doet er veel toe. Mensen met groene vingers en een groene tuinvoorkeur zijn het meest immuun voor de diverse impulsen en vormen ook niet de grootste doelgroep van de tuincentra, al is het maar omdat onder hen veel ouderen zijn, die minder trendgevoelig zijn.

Voor hen is er overigens ook wel inspiratie te vinden via televisie en bladen, maar het gaat om minder bekeken programma’s en bladen met een meer beperkte oplage in plaats van lifestylebladen.

Ook tuincentra kunnen deze groep bedienen met vaste benodigdheden zoals grond, zaad, bollen en gereedschap, maar de grootste klap moet toch komen van de impulstuiniers en daarop worden de winkels primair ingericht.

Er zijn diverse interessante projecten waarbij ideële organisaties samenwerking zoeken met commerciële, om ook bij jonger publiek belangstelling te wekken voor natuur en groene tuinen. Hiertoe behoren bijensafari’s, tuinreservaten en de operatie Steenbreek, om de betegeling tegen te gaan, naast de meer traditionele educatieve inzet van organisaties als ivn en avvn.

Onderscheidend voor groene tuiniers is dat zij geboeid zijn door het natuurlijke groeiproces van de planten en daarom ook rekenen met de factor tijd. Wat hun voldoening geeft, is het contact met de natuur, buiten zijn, ook bij minder aanlokkelijk weer, en het creëren van een eigen, paradijselijke omgeving. Die passie voor wat groeit en bloeit lijkt vooral binnen de familie te worden overgedragen. Ouders of andere dierbaren geven het voorbeeld en dat blijft kinderen bij. Hebben zij zelf eenmaal een eigen tuin en wat meer tijd, dan komt het geplante zaadje tot volle wasdom.

We hebben ook enkele enthousiaste tuiniers gesproken voor wie er geen sprake was van aanmoediging door de familie. Hun inspiratie kwam uit voort de liefde voor de natuur, voor het verbouwen van eigen voedsel en het educatieve daarvan voor de kinderen. Op deze manier kan de actuele moestuinrage mogelijk voor langere tijd sporen achterlaten, omdat de jeugd er vaak bij betrokken is.

SAM_2380

Tuinieren kan een solitaire aangelegenheid zijn en tuiniers zijn grosso modo ook eerder
minder dan meer sociaal dan anderen. Wel hebben ze meer contact met directe buren.
Toch heeft tuinieren ook sociale waarden. Net als bij sport is er een community rondom
tuiniers, zoals tuinclubs en (volks)tuinverenigingen, maar ook informele groepen liefhebbers. Buurtmoestuinen kunnen de onderlinge relaties in de buurt een impuls geven, hoewel ook uitsluiting kan meespelen en de relaties niet altijd vanzelf goed blijven. Maar in combinatie met de verfraaiing van de omgeving en het plezier dat actieve tuiniers scheppen in het tuinieren, is het enthousiasme voor deze trend onder gemeenten en woningbouwverenigingen begrijpelijk.

Tuinen weinig onderzocht; toch belangrijk

Tuinen zijn een weinig onderzocht thema. Weliswaar zijn stadslandbouw en moestuinieren momenteel in en is er in zijn algemeenheid aandacht voor groen in de stad, maar over particuliere tuinen en tuiniers gaat het zelden. Dat is om verschillende redenen opmerkelijk.

Allereerst gaat het om het aanzien van de alledaagse woonomgeving: 70% van de
Nederlandse huizen heeft een tuin, dus het gaat om veel grond. Een grote meerderheid van de burgers wil graag een groene woonomgeving, wat ook blijkt uit de hogere waarde van woningen in een groene omgeving. Tevens is groen stress reducerend en bevordert het zo het geestelijk welzijn. Maar wat doen we zelf aan die groene omgeving? De trend is naar het verharden van de tuin, door middel van betegeling. Planten in potten brengen dan wel een groene toets aan, maar de verharding heeft een duidelijk nadeel voor het milieu, vooral bij opwarming van de aarde. Er is dan meer behoefte aan verkoeling en goede afvoer van hemelwater. Bestrating brengt het omgekeerde teweeg: stenen slaan warmte op en verhinderen opname van regenwater. Dit zorgt voor overlopende riolen, waardoor het oppervlaktewater verontreinigd raakt. Hiermee is de duurzaamheid in het geding. Het is daarom van belang om te begrijpen wat mensen doet kiezen voor een groene beplante tuin of juist grijze betegelde tuin.

Daarnaast boeit het thema tuinieren ons vanwege de vrijetijdsbesteding. Ongeveer de helft van de Nederlanders tuiniert en voor menigeen is dit ook een geliefkoosde en gezonde hobby. De tijdsbesteding eraan is gemiddeld ongeveer drie kwartier per week, door het jaar heen. Voor ouderen is het veel meer dan dat. Ten slotte boeit ons de sociale kant van het tuinieren. In beleidskringen leven daarover soms hoge verwachtingen, vooral als het gaat om tuinieren in buurttuinen.  Alles bij elkaar was reden voor een kleine inhaalslag bij het scp, met een brede verkenning van dit thema.

De vragen die we stellen zijn de volgende.
– Hoe zien de Nederlandse tuinen eruit en welke determinanten hangen samen met de
keuze voor een groene of juist meer betegelde inrichting?
– Wie zijn de tuiniers die over een tuin beschikken en wie van hen tuinieren frequent,
langdurig en met genoegen?
– Welke invloeden zijn er op tuinstijlen en de keuzes die tuinbezitters maken?
– Welke sociale kanten zitten er aan het tuinieren?

Voorspellers van groene en van grijze tuinen

De meeste tuinbezitters hebben zowel hun voor- als hun achtertuin deels bestraat en deels beplant. Er zijn enkele omgevings- en persoonskenmerken die verband houden met meer groen of juist meer grijs in de tuin. Meer bestrating gaat samen met suburbane woonmilieus waar tuinen ‘gewoon’ zijn, met kleine voor- of achtertuinen en met parkeren op eigen erf, waarbij het resterende deel van de tuin dan ook bestraat wordt. Verder komt
bestrating vaker voor bij jonge mensen, lager opgeleiden en vrouwen met een baan van
minstens dertig uur per week.

19. detail van de Zonnige tuin ( eind juli)
De zonnige tuin van tuinontwerper Ton ter Linden. Foto: Gert Tabak

Groene tuinen vormen hier de contramal: zij komen voor bij ouderen en hoger opgeleiden met grote tuinen in centrumstedelijke milieus, waar tuinen bijzonder zijn, of juist in dorpen waar bestraten minder de norm is.

Een belangrijke bevinding is dat de kans op een groene of bestrate tuin aanmerkelijk groter
is als de overburen ook zo’n type tuin hebben. Tuinaanleg lijkt aldus besmettelijk, een ervaring die gedeeld wordt door diverse geïnterviewden.

Tuinieren gaat samen met een gezonde lifestyle: wel sporten, maar minder beeldscherm
kijken

Het profiel van mensen die regelmatig en veel tuinieren lijkt veel op dat van de mensen met groene tuinen, zij het dat ze niet per se hoger opgeleid zijn. Wel gaat het ook hier vooral om ouderen: 65-plussers besteden gemiddeld meer dan twee keer zoveel tijd aan tuinieren als de gemiddelde Nederlander. Hoogopgeleiden besteden er ook meer tijd aan, maar dat komt doordat zij vaker grote tuinen hebben, die meer werk vergen. Mensen met een volkstuin besteden verreweg de meeste tijd aan tuinieren. Niet alleen kiezen ze voor een tijdrovende hobby, de volkstuin (zonder verblijfshuisje) is vaak een aanvulling op hun tuin bij het huis.

Tuinieren gaat niet ten koste van sport en andere vormen van bewegen, zoals wandelen en fietsen, ook niet bij ouderen. Dat is opmerkelijk; tuinieren is dus geen alternatieve vorm van bewegen, uit te oefenen wanneer sporten niet meer gaat. De lifestyle van tuiniers is in het algemeen een gezonde: veel tijd buiten, wel tijd om te rusten en te lezen, maar veel minder tijd achter de beeldschermen, zowel televisie als computer.

buren

Frequente tuiniers zijn niet socialer dan anderen; wel zijn er sociale kanten aan tuinieren

Hoewel frequente tuiniers vaker praatjes maken met hun directe buren, die ze eerder tegen het lijf lopen, zijn ze in het algemeen niet socialer dan anderen; eerder is het omgekeerde het geval. Dit betreft het onderhouden van sociale contacten en doen van vrijwilligerswerk. Wel onderscheiden frequente tuiniers zich door een meer buurtgebonden activiteitenpatroon en een geringere ruimtelijke mobiliteit.

Deze uitkomst wil niet zeggen dat er geen sociale kanten aan tuinieren zitten. In gesprekken
werden we gewezen op de betekenis van gekregen planten voor tuiniers; ze ontlenen
er plezier aan en het kijken naar afzonderlijke planten herinnert ze aan dierbaren. Daarnaast is er een civil society van gelijkgestemden die zich op verschillende manieren groepeert langs de liefhebberij tuinieren: in verenigingen, tuinclubs, informele groepen, tuincomplexen en buurt(moes)tuinen. Die gedeelde interesse schept zowel een symbolische als een materiële band en kan ook maatschappelijke en culturele verschillen overbruggen, al is het geen panacee. Het zichtbare, non-verbale karakter van tuinieren maakt dat het weinig groepen hoeft uit te sluiten.

overvecht

Meest groene tuiniers weinig vatbaar voor invloed van media, commercie en buurt

Commercie, media en voorbeelden in de woonomgeving zijn inspiratiebronnen voor veel
tuiniers  Tuincentra, maar in toenemende mate ook bouwmarkten, worden veel bezocht voor tuinbenodigdheden. Die winkels bedienen een breed publiek, maar de belangrijkste klanten zijn toch degenen die gevoelig zijn voor trends en zich laten verrassen door iets nieuws. Dat draagt bij aan de keuze voor tuinen die snel effect geven, met grote planten, veel harde elementen (plavuizen, planken en potten) en ornamenten.

De meeste televisieprogramma’s en ook lifestylebladen moedigen mensen aan in deze richting. Toch kunnen dezelfde winkels en media ook andere interesses wekken of ingezet worden om nieuwe trends aan te wakkeren, zoals moestuinieren (ah moestuintjes, Intratuin met ‘Stekken is hip’, acties ten behoeve van meer vlinders of minder stenen). Dit gebeurt in toenemende mate op initiatief van ideële organisaties, die daarvoor brede netwerken vormen en daar ook commerciële partners in betrekken.

lodewijk
Voormalig TV-tuinman Lodewijk Hoekstra (NLGreenlabel)

Groene tuiniers hebben een heel andere instelling, doordat ze meer interesse hebben in
natuurlijke processen, die tijd vergen. De planten interesseren hen en ze zijn ook bereid wat van hun eigen autonomie op te geven om zich door planten te laten verrassen, een houding die ervaring eist. Hierdoor onderscheiden hun tuinen zich van instanttuinen van degenen die zonder geduld tuinieren.

Groene vingers en interesse in planten lijken in grote mate van ouders op kind over te
gaan. Kinderen krijgen affiniteit met het laten groeien van planten en de verwondering
daarover mee van thuis; vele jaren later kan dat naar boven komen bij het verlangen naar
een eigen tuin, hoewel er ook mensen geïnterviewd zijn wier kinderen de passie niet overnamen.

Omgekeerd kregen sommige groene tuiniers thuis geen voorbeeld, maar zijn zij alsnog gemotiveerd geraakt, door hun interesse in de natuur of door het de laatste jaren populair geworden idee je eigen voedsel te kweken. Daarbij speelt ook het educatieve aspect een rol: kinderen leren waar voedsel vandaan komt en welke natuurlijke processen, zoals bevruchting door bijen, daarbij komen kijken. Daardoor is ook bredere natuur- en milieueducatie relevant voor groene tuinen.

De stijl van tuinieren waarbij men zelf planten zaait of stekt en opkweekt, is vanaf 1975 rap afgenomen. Er kwamen alternatieven, zoals een ruim aanbod van kant en klaar opgekweekte planten, die door de gestegen welvaart betaalbaar werden. Mogelijk was er al in 2011 een lichte kentering te zien bij jonge mensen; het kweken nam daar niet nog verder af.

Zaaien en kweken is een manier van tuinieren die veel ouderen nog eigen is en die generatiegewijs minder is geworden, vooral bij de naoorlogse generaties. Het aandeel steen in de tuinen is tussen 2002 en 2011 gestaag toegenomen; echter, na de opheffing van Productschap Tuinbouw vinden er wellicht geen nieuwe metingen meer plaats. De cohortvervanging, waarbij de meest groene tuiniers worden opgevolgd door jongere, grijzere tuiniers, stemt niet vrolijk over wat we in particuliere tuinen mogen verwachten. Mogelijk breidt nieuw elan, zoals het groenten verbouwen, zich uit tot een meer robuuste tegentrend in plaats van een kortstondige hype te blijven.

Stedenbouw, particuliere en publieke ruimte

In kringen van stedenbouwkundigen heeft in de naoorlogse jaren een geschil geheerst over de wenselijkheid van particuliere tuinen in de stad. Modernistische (hoog)bouwers meenden de burger daar geen plezier mee te doen, omdat tuinieren als werken werd gezien. Zij kregen in zoverre hun gelijk dat er, met name in suburbane milieus waar tuinen heel algemeen zijn, inderdaad door velen niet graag getuinierd wordt. Maar bewoners stellen wel prijs op een eigen erf waar zij zich vrij voelen. Dat is, naast de sterk gestegen grondprijzen, aanleiding geweest om tuinen betrekkelijk klein te maken.

Daarnaast zijn er woonmilieus met gestapelde bouw, waar de bewoners nauwelijks eigen tuinen hebben. In beide gevallen hebben tuinliefhebbers baat bij een alternatieve plek om zich uit te leven. Tuinverzamelcomplexen zoals volkstuinen en buurttuinen zijn voorzieningen die wel meer (deels infomeel te organiseren) beheer vergen, maar verder tegen betrekkelijk lage onderhoudskosten een hoogwaardige omgeving kunnen bieden voor de buurt. Volkstuincomplexen worden toenemend opengesteld voor een breder publiek; buurttuinen zijn dat meestal al.

Combinaties van een bescheiden erf bij de woning en aanvullende tuinen in de publieke ruimte voor echte tuiniers lijken een geschikte formule om ruimte zoveel mogelijk in handen te stellen van mensen met groene vingers. Dat vergt wel passende beheervormen, om uitsluiting tegen te gaan en om te gaan met mutaties in het gebruik. Ook kan de grond niet maximaal te gelde worden gemaakt. Maar daartegenover kunnen weer betere buurtcontacten staan en misschien ook gezondheidswinst als mensen zich aan het tuinieren zetten. Maar, zoals ook Veen (2015) stelt: overdreven verwachtingen kunnen een afbreukrisico geven.

Groeneducatie

In de negentiende en twintigste eeuw is tuinieren onder arbeiders aangemoedigd, ter verbetering en verheffing van hun levens. Er waren er genoeg die daarop niet ingingen of hun tuinen verwaarloosden, maar anderen zijn toch op een spoor gezet. Tuinieren is momenteel kortstondig deel van het basisschoolcurriculum (één tuinseizoen op de schooltuin), maar daar blijft het veelal bij. De ervaring in buurttuinen is dat veel kinderen het proces interessant vinden, dus die tuinen hebben een aanvullende educatieve functie. Ook
betrokkenen bij de beschreven acties om een breed publiek te interesseren in natuurlijker tuinieren, verdienen ondersteuning.

Mogelijk zijn er wegen om kennisoverdracht over planten en natuur uit te bouwen, zoals bij sociaal tuinieren gebeurt in de vorm van vrijwilligerswerk voor ouderen. Daar wordt kennis overgebracht van kenner op leek, gepaard aan sociale initiatieven, voor wie wel gevoelig is voor een meer levendige, groene tuin, maar zelf niet weet hoe die te realiseren. Media en commercie kunnen een maatschappelijke rol oppakken door publiek te enthousiasmeren voor tuinen die weinig onderhoud vergen, maar toch groen zijn en voldoening geven. Menig tuinarchitect profileert zich hier al mee, maar het kan misschien ook op een laagdrempeliger manier, door breed te informeren over sterke en onderhoudsarme planten.

Bekijk of download hier het volledige onderzoek: Tussen groen en grijs

Bron: Rijksoverheid, Sociaal en Cultureel Planbureau.  Onderzoeker: Jeanet Kullberg

Fotoselectie: TUINENSTRUINEN.ORG

oudje

Ga naar: Welkompagina 

Klassieke tuin ‘De oude watermolen’ in Rijsbergen weer in volle glorie

download (6)
Achterzijde boerderij

Toen de familie Vreeburg in 2009 boerderij ‘De oude watermolen’ in Rijsbergen aankocht is deze eerst volledig gerestaureerd.  In 2010 verhuizen Carina Vreeburg, haar man en twee dochters naar de boerderij. In 2011 is de restauratie achter de rug en kan er een begin worden gemaakt met de aanleg van de tuin.

De oude watermolen is honderd jaar geleden helaas afgebroken. Wat overbleef was een prachtige langgevel boerderij met een historie, die in zijn huidige vorm terug gaat, tot 1778. De eerste vermelding van de boerderij dateert echter uit een eigendomsakte van Arnold van Leuven, Heer van Breda, uit 1279 waarin stond “Onze hoeve te Karleschot ende die molen”.

download (3)
De Magnolia in volle bloei

download
Het uitzicht op het beekdal

Al snel raakte de familie in de ban van hun toekomstige woonplek, Carina Vreeburg hierover; ‘Wij waren gevallen voor het plekje aan de Aa of Weerijs met het uitzicht op het beekdal’. Bij een bezoek tijdens een van de Open tuindagen is het moeilijk om niet ook verliefd te raken op deze fraaie plek in het Brabantse landschap.

Hovenier en tuinontwerper Ton van Wijtvliet was verantwoordelijk voor het ontwerp van de vorige tuin van de familie, toen bleek dat hij ook zijn intrede had gedaan in een historische boerderij in Rijsbergen (De Hazelhof) was de keuze snel gemaakt. De tuin is vanaf 2010 helemaal opnieuw aangelegd.

download (4)
Lange borders met vaste planten aan de achterzijde van de schuur

download (7)
Appelbomen (Malus) in bloei

Carina is zeer te spreken over de samenwerking met Ton de Tuinman: ‘Tijdens deze samenwerking is ook bij mij de “vonk” overgesprongen en is mijn passie voor tuinieren ontstaan’.

download (2)
Een van de vaste plantenborders in de boomgaard

download (8)
Hydrangea (hortensia) in bloei onder het keukenraam

De tuin bestaat uit een heemtuin (gerealiseerd na de sloop van oude varkensstallen), een binnentuin, een moestuin en een fruitboomgaard met een paar grote vaste planten borders waar de kleuren grijs, roze, blauw en zilver de boventoon voeren.

download (1)
De voorzijde met vakken Hydrangea

download (9)
Gedeelte van de pompoenenoogst in 2015

Aan de voorkant van het huis bestaat de tuin uit vakken hortensia’s naast de geitenwei met in het verlengde daarvan de kippenwei. In de weide achter de boerderij is recent een uitbreiding van de moestuin gerealiseerd met vakken waarin Carina pompoenen kweekt. Ook zijn twee doorgangen naar de boomgaard gerealiseerd.

download (10)
Hibiscus

De oude watermolen

Kaarschotsestraat 2

4891 SE Rijsbergen

Telefoonnummer: 06-51-200322

website

Open tuindagen in ‘De oude watermolen’