Tuinvedette uit Gerritjan Deunk´s Archief – Han Njio

tsgw-translate-3

statiefoto gjDit interview van Gerritjan Deunk met tuinvedette Han Njio staat in de Tuinspecial, in het voorjaar van 1994.

Limburg voldoet aan alle verwachtingen als ik op een zaterdag naar Bemelen rij. Maastricht als altijd druk en gezellig, maar even verder richting Bemelen heerst een ingetogen stilte. Een dappere mevrouw laat haar Golden Retriever uit, een wielrenner doet zijn ronde. Door holle wegen, langs kapelletjes en kruizen kom ik op het plateau van Margraten. De weg gaat nu verder slingerend omhoog. De familiehotels zijn gesloten en alleen de kroeg is nog open.Weids land met ver uitzicht. Midden in een samenscholend groepje huizen valt een huis op door zijn ‘Toscaans’ blauwe kleur. Dit is het huis van Han Njio en achter het huis bevindt zich het doel van dit bezoek.

Ik word hartelijk ontvangen en bekijk vanuit het huis de tuin. Vanuit ieder raam ontvouwt zich een ander beeld. Vooral de winterse wijde doorkijk op het bakhuis van de buren is indrukwekkend. Han Njio; Mijn tuin is alles voor me. Alles heeft met de tuin te maken, mijn meubels die ik zelf ontwerp en mijn tuinen. Ik denk ook vanuit de architectuur, vanuit ruimte en vorm. Planten zijn daaraan ondergeschikt. Ik denk ook niet in kleurassortiment. De vorm van de tuin in Nederland is overal identiek, alleen de borders zijn onderscheidend. Ik noem dat bloemetjesbehang. In Drente is één uitzondering, Ton ter Linden. Maar dat is nog steeds geen tuinarchitectuur, dat zijn planten, geniaal op kleur gecomponeerd, Er is geen ruimtewerking, dus ook geen ruimtebeleving.

Wat zijn je uitgangspunten bij het inrichten van een tuin?

Mijn eigen tuin is absoluut niet representatief voor mijn opdrachten. Mijn interesses zijn te zien, maar verschillen van plek en situatie. Er is hier niets in de omgeving dat hindert. Zie je buren, zie je huizen? Alles is zo samengesteld dat alles met elkaar en de achtergrond contrasteert. Het eerste uitgangspunt is: wat doe ik met de ruimte, hoe klein die ook is. Hoe kan ik die benutten en niet, wat doe ik met het terras. Standaard moet ik aangenaam kunnen zitten, zowel voor- als achterin de tuin. Ik kijk naar de ruimte en wat er concreet is. Hoe zit het met het huis en andere elementen, bijvoorbeeld een schuur. Hoe staat die in de ruimte ten opzichte van het huis.

Detail van de tuin van Han Njio door Marcel Malherbe.
Doorkijkje in de tuin van Han Njio.  Foto: Marcel Malherbe.

Mensen willen vaak hetzelfde, een terras, wat water, en ze willen een plaats voor hun terrasmeubelen en hun beelden. Willen ze meer, dan word ik wakker. Soms kan ik een constructie toevoegen. Er is al een pergola, die kan ik verbeteren en uitbreiden. Ik ontwerp daarbij bijvoorbeeld een passend hek. Mensen komen niet blanco bij me. Ze weten meestal wat je maakt, hebben tijdschriften gelezen. Bovendien circuleert mijn naam bij tuinliefhebbers. Daarom wil ik ook niet zomaar in een tuinboek. Een tuinarchitect kan geen tuin van een ander bespreken. Dat wordt altijd iets ingedikt en tendentieus. En maar fotografen sturen. Liefst een dag van tevoren bellen. Vorige week nog. De tuin lag vol snoeisel. En dan snel flitsend door de tuin vliegen. Dan zeg ik onmiddelijk nee.

Met Modeste Herwig heb ik een afspraak voor een boek. Ik lever de dia’s en krijg daarvoor betaald. Want tuinfotografie is toch handel. En een tuineigenaar ziet daar niets van terug. Ik wil niet zomaar overal in elk blad terecht komen. Om dat te voorkomen kun je beter meteen nee zeggen. Dan kunnen ze me een zeur vinden. Dat is dan maar zo. Het is echt geen snobisme.

Is de tuin wezenlijk anders dan drie maanden geleden?…

Ja, ik ben eindelijk begonnen aan de afbraak. Ik heb met veel mensen gesnoeid, er is al veel weg. Je bent afhankelijk van het weer, dus moet je vroeg beginnen. Als het regent, kun je de mensen niet laten werken. De tuin is alles voor me. Ook de bron van inkomsten door de opdrachten die eruit voortvloeien. Zelf kan ik concreet actief zijn met experimenteren. Planten uitproberen, combinaties maken, soorten selecteren. Ik wil uiteindelijk het assortiment terugbrengen, selecties maken puur op mogelijkheden tot snoeien, bladkleur in de seizoenen en meer.

collage njio 2

Planten die na de bloei niet meer interessant zijn, selecteer ik uit, tenzij je ze kunt afsnijden. Je kunt bijvoorbeeld in een bed onze-lieve-vrouwebedstro pioenrozen planten, zo’n boerenstruik. En als ze uitgebloeid zijn, kun je de struik weghalen en het bed blijft intact. Ik heb een heel assortiment in mijn hoofd, dat qua onderhoud heel beperkt blijft. Een combinatie van praktisch en esthetisch. Mensen krijgen bij mij ook geen stijltuin, geen Engelse tuin, geen dopheide. Mensen weten dat ik ruimtelijk werk. Ze lezen mijn naam in de bladen en vervolgens komen ze hier op de dagen dat de tuin open is. Heel specifiek.

Het is onzin dat een aantal tuinen in Limburg voortdurend alle aandacht krijgt. Er zijn meer mooie tuinen in Limburg dan die drie tuinen. Die zogenaamde ‘Open dagen’ zijn volstrekt belachelijk. Die instelling van: nu is de tuin op z’n mooist, nu moet je komen. Eind mei mag je nog niet in de tuin, want dan is het nog niet vol genoeg en nog niet allemaal in de bloei. Ik heb jarenlang al in april geopend en dan komen er toch al mensen. Niet veel, want de meeste zijn opgenomen in de mallemolen van ‘juni is de tuin op z’n mooist’.

Ik ben open tot half acht ’s avonds, maar Nederlanders moeten om zes uur eten, of ik open ’s ochtends vroeg. Het liefst ontvang ik ze op een hele warme dag om acht uur, als dat allemaal te organisren is. Ik ben daarom ook van plan om weekends te organiseren voor een kleine groep, tussen de tien en vijftien mensen, en workshops over onderwerpen die degelijk worden behandeld. Misschien wel heel vroeg opstaan en samen koken.

Je gaat ook exposeren deze zomer...

De bedoeling is om al mijn ontwerpen te exposeren. Het laatste project worden metalen schalen. Binnen en buiten is van alles met deze schalen te doen. Ik verkoop de ontwerpen compleet. Het zijn vijf ideeën in ongeveer tien versies. Bijvoorbeeld een schaal als fontijn, een schaal op een onderstel, een schaal balancerend op een muur. Je kunt de schalen vullen met water, planten of fruit. Ik ga er misschien ook mee naar België en naar galleries in Parijs. Eind mei moet het er allemaal staan. Je kunt de schalen zien als specifiek tuinobject, een ondersteuning van een arrangement en zo is het ook geprijsd. Het is geen kunst of design. Het is een meubel om mee te spelen.

Hoe beschrijf je een Njio-tuin?…

Niet overzichtelijk. Geen kamers die je kunt bewonderen vanuit het huis. Dat is niet mijn opvatting van een tuin in deze tijd. Als je in de tuin wandelt, moet je je kunnen ontdoen van cliché’s en bekende beelden, dus je moet niet de idee hebben dat je in een concrete ruimte bent. Onoverzichtelijk dus en interessant qua uitzicht. Je moet niet kunnen zien dat hij vierkant is, als hij vierkant is. een belangrijk onderdeel van wat ik beoog, is dat je ruimte transformeert. En als je door de tuin loopt, heeft dat alles te maken met de manier waarop je je voortbeweegt, met beweging en vorm.

Het Vondelpark is zo’n park waar beweging in zit. Een wandeling door dit park is de gewaarwording van een bepaalde configuratie. De schaal is intiem, interessant gemaakt doordat de paden er natuurlijk uitzien. Dit park is niet gemaakt om te imponeren, zoals Kew Gardens met zijn allee waarin enkel rododendrons zijn geplant in alle kleuren van de regenboog. Het Vondelpark lijkt zonder schaal en heel leeg. Als ik van A naar B ga, wat levert dat op? Dat is een interessante vraag.

Maak je ’s ochtends een andere ronde dan ’s avonds?…

O ja, zeker. in mijn tuin zit ook geen in- of uitgang. Iedereen vraagt aan mij; waar moet ik beginnen. Heeft u een brochure met een route? Mijn God, denk ik dan, het is ze goed ingepeperd, die tuintoeristen. Bewegen in de ruimte, daar komt het altijd op neer, genoeg ruimte hebben om je te bewegen, hoe klein de tuin ook is.

Wat zijn je voorkeuren?…

Die heb ik niet, uitgangspunt is toch altijd de architectuur en dat kan altijd weer van alles zijn. Ik voel me nergens mee verwant. Nee, ik speel veel muziek, de ene dag jazz, de andere dag klassiek. Een tuin moet zo flexibel zijn, zo open, dat je je vrij voelt om te bewegen, dus niet gebonden aan een stijl of voorwaarden, zoals de configuratie van stenen in een Japanse tuin. Japanse tuinen kunnen heel natuurlijk zijn zonder de terreur van bruggetjes en esdoorns.

Er komen wel mensen hier die zeggen: dat is toch Japans? Dan roep ik: ja hoor, heel Japans. Maar wat dan? En dan wijzen ze een groep struiken aan. Jouw fotograaf zegt tegen mij: je bent vast op Bali geweest. Nee, ik ben nooit op Bali geweest. Allerlei elementen zijn afgeleid van de Oosterse opvattingen over ‘buiten’ en over decoratie.  Ik pretendeer helemaal niets en ik wil ook vooral niet worden ingedeeld. Natuurlijk ken ik mijn klassieken en daar heb ik respect voor. Mensen roepen bij een katholieke kruisvorm: hij zal wel katholiek zijn, en weer een ander roept: u werkt eclectisch, ha, ha, ha…

Tegenwoordig werk ik zo dat mensen me vrij laten, vroeger kon dat minder, maar nu heb ik de vrije keuze in vorm en beplanting. Heel belangrijk voor mij is of ik vrijheid heb. Onderdelen doe ik niet omdat je niet alles kunt bepalen, terwijl wel je naam eraan wordt verbonden.

Heb je een favoriete plek in de tuin?…

Nee. Dat heeft te maken met zo’n wandeling. Vroeger deed ik dat, meer da nu, iedere dag. Ik ga weer eens rond, kijk of ik wat zie. Of wat er gebeurt en of ik nog wat moet doen.Ik ben nu van plan om het kruipend bamboe weg te halen onder de treures. Die is nu vijftien jaar oud en groot genoeg om eronder een grote open ruimte te creëren die grenst aan een andere open ruimte. Deze ruimte is ontworpen in verband met die boom. Het wordt dan een koepelvormige ruimte, en dat duurt nog weer vijftien jaar. Dat is de essentie van een tuin: er gebeurt iets in de tijd waar ik geen greep op heb.

Dat is dus wezenlijk anders dan bloemetje zus en combinatie zo. De mensen voor wie ik werk, willen best een tuin die de eenvoud heeft van een plantzoen, gemaakt met minimale middelen en met maximale spanning. Vooral overzichtelijk in onderhoud.

We praten nog wat na over de rode en blauwe kleuren van het huis. Het zijn lokale kleuren die verschillen in tint vanwege de vindplaatsen van de kleurstoffen. Zo kan het roodsel, ook wel ´dodekop´ genoemd, van streek tot streek anders zijn. Tot slot bekijken we nog de kruisvorm, dicht achter het huis.

Gerritjan Deunk 1994