GO WILD! Geschiedenis van de Natuurstijl in de tuin

De laatste jaren is er volop belangstelling voor de Natuurrijke Tuin. In ons eigen land waren het tuinpioniers zoals o.a. Piet Oudolf, Rob Leopold, Henk Gerritsen en Ton ter Linden die internationaal bekendheid kregen

De laatste jaren is er volop belangstelling voor de Natuurrijke Tuin. In ons eigen land waren het tuinpioniers zoals o.a. Piet Oudolf, Rob Leopold, Henk Gerritsen en Ton ter Linden die internationaal bekendheid kregen met deze tuinstijl als Dutch Wave. Ook in andere landen waren er ondertussen tuinontwerpers, als bijvoorbeeld: Dan Pearson en Roy Diblik, drukdoende met hun ontwerpen waarin voornamelijk vaste planten (en grassen) een plek kregen. De New Perennial Movement was geboren!

Allen waren zij bezig met een wijze van beplanten waarbij de natuur zijn intrede deed in de tuin. Ton ter Linden noemt het toepasselijk het begeleiden van een tuin. Natuur is de inspiratiebron. Er wordt meer de nadruk gelegd op ecologisch verantwoorde plantcombinaties dan op de individuele plant.

In de tuinenwereld speelt momenteel de discussie: New Perennial Movement, een nieuwe tuinstijl of een (voorbijgaande ) trend?

De natuurtuin past in een tijdsgeest waarin er meer aandacht ontstaat voor het milieu. Privétuinen en openbaar groen worden door deze tuinstijl duurzamer en vergroten de biodiversiteit. Ook spelen deze tuinen een steeds grotere rol in bijvoorbeeld waterbeheer. Ook de beleving van de natuurtuin speelt een steeds grotere rol. Stedelingen, in hun beton-jungle,  verlangen steeds meer naar natuur en voelen zich prettig in hun stukjes nagebootste natuur.

De natuurtuin wint aan populariteit en wordt steeds vaker toegepast. Je kunt hier dus spreken van een duidelijke trend of mode ingegeven door een verlangen naar natuur en/of bewust gekozen vanwege de milieuaspecten. De tuinstijl zelf is zeker geen trend of nieuwkomer in de internationale tuinarchitectuur.

De natuurstijl heeft als belangrijke stroming binnen de tuinarchitectuur al een lange geschiedenis. Vanaf 1870 is er in de Engelse tuinarchitectuur een nieuwe stroming merkbaar. In de verwerking van bloeiende planten in de landschappelijke aanleg neemt men de natuur als voorbeeld.

De belangrijkste vertegenwoordiger van deze stroming is William Robinson (1838-1935), landschapsarchitect en schrijver. Robinson is voorstander van de landschapsstijl, maar een fanatiek tegenstander van de stiive mozaïekperken met eenjarigen. Wlliam Robinson propageert de aanplant van vaste planten in natuurlijke groepen. Hij schrijft zelfs over de ‘Mixed Border’, maar dan wel aangeplant op een afgelegen plek in de landschappelijke aanleg of in de moestuin.

Robinson is in deze tijd hoofdredacteur van het tijdschrift: The Garden, waar in 1875 tuinarchitecte en publiciste Gertrude Jekyll (1843-1932) artikelen voor schrijft. Het is Gertrude Jekyll die de ideeën van Robinson als het ware verder uitwerkt. Ook zij is voorstander van een natuurlijke groepering waarbij ze veel nadruk legt op kleurgebruik. Dit blijkt duidelijk uit haar publikaties, die bijna allemaal verschijnen tussen 1899 en 1912. Ze noemt hier ook duidelijk haar voorkeur voor vaste en wilde planten. Gertrude Jekyll heeft een voorliefde voor de Arts and Crafts beweging. Haar tuinontwerpen hebben een duidelijk strakke aanleg waarbij zij gebruik maakt van vaste en inheemse planten.

De meer natuurlijke wijze waarin William Robinson en Gertrude Jekyll ontwerpen komt mede voort uit een heimwee die er in deze periode in Engeland heerst naar het landelijke en rustige leven. Deze heimwee is een reactie op de steeds verder oprukkende industrialisatie. Wat dit betreft is de link met de tegewoordige tijd makkelijk te leggen. Ook nu zorgt de beton-jungle voor een verlangen naar natuur.

Iets later als in Engeland, rond de vorige eeuwwisseling, begint er bij onze oosterburen ook iets te veranderen. In Duitsland verschijnt in 1907 het boek: Gartengestaltung der Neuzeit. Het boek geschreven door Willy Lange en de architect Otto Stahn beschrijft uitgebreid de ‘Naturgarten’. Hier kunnen we uit opmaken dat de ‘wilde’ tuin ook in Duitsland zijn intrede heeft gedaan.

In de Naturgarten vormt de beplanting een duidelijke hoofdrol. De planten worden bijeengezet in groepen zoals die ook in de natuur kunnen voorkomen. Willy Lange onderschrijft hiermee de ideeën van de Engelsman William Robinson.  Robinson heeft daarbij nog de traditionele landschapsstijl voor ogen. De Duitsers gaan wat verder en leggen de nadruk meer op het biologische aspect van een dergelijke tuin.

Naast de landschapsstijl en de nieuw-architectonische stijl ontstaat in Nederland eveneens een voorkeur voor de ‘wilde tuin’, deze wordt dan al toepasselijk ‘Natuurstijl’ genoemd. Geertruida Carelsen en H.O. van Linden Snelrewaard pleiten hier al omstreeks 1890 voor. Het is onder invloed van William Robinson en Gertrude Jekyll dat deze stijl ook in Nederland tot ontwikkeling komt. Het gevolg is dat men na 1900 meer aandacht gaat besteden aan winterharde, inheemse plantensoorten. Dit in tegenstelling tot het gebruik van de vele exotische soorten van de negentiende eeuw. De keuze voor deze ‘nieuwe’ planten is ook te danken aan de invloed die de publicaties van Jac. P. Thijsse hebben, waarvan het grootste gedeelte verschijnt tussen 1894 en 1910.

Een goed voorbeeld van deze nieuwe plantenkeuze is het werk van John Bergmans. Zijn ontwerpen tonen tot 1940 nog steeds eigenschappen van de nieuw architectonische aanleg, maar zijn tuinen zijn veel meer met planten ‘aangekleed’.

In de jaren twintig van de vorige eeuw komt in de Nederlandse tuinarchitectuur de nadruk steeds meer op beplanting te liggen. In de uitbundige bloemenborders worden voornamelijk vaste planten en kleinere heesters op een natuurlijke wijze gerangschikt. Het werk van Robinson en Jekyll, Wild Gardening in mixed Borders and Herbaceous Borders, geniet in het Nederland van voor 1940 ruime bekendheid en waardering. De vraag naar deze borders werd ook aangewakkerd door het sterk toegenomen plantensortiment.

gravetye dusk with eremurus

Gravetye Manor William Robinson

Opvallend is het dat in deze periode (1900-1940) vrouwelijke tuinarchitecten op de voorgrond traden. Deze groep tuinarchitecten voelen zich duidelijk meer aangesproken tot de beplanting dan tot de architectonische tuinstijl. Tot deze groep ‘Beplantingsdeskundigen’ zijn onder meer Mien Ruys (vanaf 1925), Tine Cool (vanaf 1919), en Renske Boon (vanaf 1930) te rekenen. Ook tuinarchitecten Th. J. Dinn en H. Roeters van Lennep gingen zich veelvuldig bezig houden met de invulling van de borders. Dit kwam vooral door hun verbintenis aan kwekerij Van Tubergen. Het was toen al mogelijk om bij deze kwekerij specifieke beplantingsplannen voor borders te laten maken, tegen een vast tarief per vierkante meter.

Mien Ruys is in de tweede helft van de vorige eeuw zonder meer de tuin en landschapsarchitect geweest  met de meeste invloed. Voor een groot gedeelte heeft zij bepaald hoe ons openbaar groen en de privétuinen er uit kwamen te zien. Al in een vroeg stadium in haar (lange) loopbaan raakt zij geïnspireerd door vaste planten.   Haar vader had een internationaal gerenommeerde kwekerij van vaste planten, Moerheim geheten, waarvoor hij al sinds 1896 catalogi uitbracht, inclusief beplantingsadviezen. In 1904, het geboortejaar van Mien, had de kwekerij het predikaat ‘koninklijke’ verkregen.

In 1928 ging Mien Ruys in de leer bij de afdeling tuinarchitectuur van een kwekerij in Tunbridge Wells (Engeland), waar ze ingewijd werd in het ontwerpen en tekenen van tuinen en het (bege)leiden van de aanleg daarvan. Ze bezocht toen ook de befaamde tuinarchitecte Gertrude Jekyll, een goede kennis van haar vader. 

In 1955 richtte Mien Ruys samen met haar echtgenoot (uitgever) Theo Moussault het kwartaalblad Onze Eigen Tuin op. Hierdoor weet zij ook de “gewone” tuinier te bereiken en enthousiast te maken in het gebruiken van vaste planten in de tuin. Eerder publiceerde zij al Borders: hoe men ze maakt en onderhoudt (1939) en het befaamde Vaste Planten Boek (1950), het is vooral dit boek wat een grote invloed heeft in hoe wij zijn gaan tuinieren na de Tweede wereldoorlog.

In het Vaste Planten boek schrijft zij: Sommigen menen, dat deze vaste-planten-groepen en borders een mode-gril zijn, maar zolang we geen betere wijze weten te vinden om de vaste planten te groeperen, zullen er borders blijven. De grootste bekoring er van ligt misschien hierin, dat we zo de natuurlijkste ontplooiing kunnen geven in een toch door de mens gewilde vorm. Er is een eideloos kleuren- en vormenspel mogelijk, zonder de stijfheid en onnatuurlijkheid van de vroegere perken, want we zien bloemen bijeen in knop, planten in volle ontwikkeling naast uitgebloeide soorten. Ook de laatsten behouden een plaats in de border en zo leren we de planten waarderen, juist in deze opeenvolgende stadia en niet alleen als kleurvak. Maar ook deze nieuwe wijze om schoonheid in de tuin te brengen is geen eindpunt. De mens zal veranderen en zijn houding ten opzichte van de tuin zal zich wijzigen; er zullen nieuwe wegen ontdekt worden en er komen nieuwe planten.

Duidelijk wordt dan al dat we worden geleerd anders naar de plant te kijken en juist ook de lange periode dat een (vaste) plant is uitgebloeid te leren waarderen. Mien Ruys: Zelfs afgestorven bloemen kunnen van een ontroerende schoonheid zijn, dofgrijs wordt de kogeldistel, maar fluwelig-bruin glanzen de uitgebloeide bloemen van Telekia tot diep in de winter.

In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw zijn in Nederland, zonder het in eerste instantie van elkaar te weten, enkele tuinlieden drukdoende in het verder ontwikkelen van de tuin in de natuurstijl. Er ontstaan verschillende stromingen in stijl met het verwerken van voornamelijk inheemse vaste planten en grassoorten die internationaal bekendheid krijgen onder de naam: Dutch Wave. Gras is hierbij een welkome aanvulling in het sortiment aan planten voor de tuinen in natuurstijl. Bekende ontwerpers kweken hun eigen (inheemse) vaste planten waardoor de natuurstijl ook een duurzaam karakter krijgt.

Een droomborder van Ton ter Linden in Ruinen

Een droomborder van Ton ter Linden in Ruinen foto Gert Tabak

De bekende kunstschilder Ton ter Linden heeft zijn inspiratie van Mien Ruys, maar ook zijn bezoeken aan het Jac. P. Thijssepark in Amstelveen inspireren hem bij het maken van zijn droomborders. Vooral de jaren dat hij werkzaam is in zijn tuin in Ruinen (Drente) maken hem tot een internationale bekendheid. Ton’s borders hebben een schilderachtig uiterlijk en zijn minder gebaseerd op ecologie. Ton ter Linden ontwerpt in deze periode ook tuinen voor anderen maar kiest er duidelijk voor om zijn ideeën zoveel mogelijk in zijn eigen tuin te verwezenlijken. Henk Gerritsen brengt in zijn Prionatuinen wilde plantsoorten samen met gecultiveerde soorten. Zijn ontwerpen hebben een verbazingwekkende vrije en natuurlijke uitstraling. Hij gebruikt vaste planten maar ook eenjarige en kruiden in een gecontroleerde informaliteit. Vooral een jonge generatie tuiniers voelt zich aangesproken tot zijn beplantingswijze. Henk Gerritsen heeft bij zijn plantenkeuze veel aandacht voor het dierenleven in de tuin, zijn vlindertuin is een begrip.

Rob Leopold is de verbindende factor binnen de Dutch Wave, zijn inspanningen maken de nieuwe natuurstijl op zijn Nederlands internationaal tot een begrip. Met zijn kwekerij De Cruijdthoeck experimenteert hij veel met zadenmengsels. Rob Leopold ziet eenjargen als de finishing touch in de natuurtuin. Jacqueline van der Kloet is in deze periode volop aan het experimenteren met vaste planten in combinatie met bolgewassen. Internationaal krijgt zij veel waardering voor haar wijze van ontwerpen. Ook werkt zij bij sommige van haar projecten samen met Piet Oudolf, waarbij zij verantwoordelijk is voor bijvoorbeeld het bollenontwerp van de Lurie Garden in Chicago.

new yok botanic revision.tif

Piet Oudolf is de globetrotter binnen de Dutch Wave. Zijn ontwerpen zijn op veel plekken in de wereld begrippen geworden. Piet´s passie voor planten werd gestimuleerd toen hij in 1977 Engeland bezocht. Hij bezocht o.a. Hidcote Manor en Bressingham Gardens van Alan Bloom. Bij een bezoek aan de tuin en kwekerij van Beth Chatto raakt hij zeer onder de indruk van de wijze hoe zij haar kwekerij vorm geeft, haar kwekerij inspireerd Piet om ook zelf planten te kweken. Dit voor een groot deel ook uit fustratie omdat hij niet de soort planten kan krijgen die hij het liefst verwerkt in zijn ontwerpen.

Piet en Anja Oudolf beginnen in 1982 een kwekerij in het Gelderse Hummelo. Piet heeft zijn succes voor een groot gedeelte te danken aan zijn zeer zorgvuldige plantenselectie. Hij selecteerde van de verkregen soorten de vormen die hem waardevol leken voor de tuin. Bepaalde geslachten hadden zijn speciale aandacht, asters, astrantia´s, monarda´s en sanguisorba´s.

Vanaf de jaren negentig wordt er veelal gewerkt met een nieuw verkregen sortiment planten. Deze planten zijn hoofdzakelijk afkomstig uit Europa en Noord Amerika. Doordat de planten voor ons inheems zijn en dus gewend aan de lokale omstandigheden krijgen de tuinontwerpen een duurzaam karakter. Meer dan ooit tevoren in de tuinarchitectuur speelt ecologie een belangrijke rol. Succesvol gebleken combinatie´s van inheemse planten zijn belangrijker geworden dan de individuele plant. Vorm, textuur en het afterlife van de plant zijn belangrijker dan de kleur. In de ontwerpen speelt de transparantie van een plant ook een belangrijke rol. Zie hier meer over in dit bericht bij TuinenStruinen, GO WILD Deel 1.

Een gedeelte van Tokachi Millennium Forest van Dan Pearson

Een gedeelte van Tokachi Millennium Forest van Dan Pearson

Ook in andere landen wordt er niet stil gezeten. Internationaal krijgen de ontwerpers en kwekers van de tuinen in natuurstijl de naam New Perennial Movement. De bekende Britse tuinontwerper Dan Pearson heeft een ongekende plantenkennis en durft experimenteel te zijn.  In samenwerking met landschapsarchitect Fumiaki Tanako is Dan Pearson verantwoordelijk voor het ontwerp van het Tokachi Millennium Forest in het Japanse Hokkaido met een oppervlakte van 240 ha. De Amerikaan Roy Diblik heeft een kwekerij in het zuiden van Wisconsin, Diblik was hier een van de eerste die inheemse vaste planten in potten kweekte.

Roy Diblik heeft een systeem ontwikkeld dat het Know Maintenance systeem genoemd wordt. De beplantingen zijn bedoeld voor tuineigenaren in zijn regio. De beplanting is gebaseerd op segmenten van 2,4 x 3,7 meter die verdeeld zijn in een grid van vierkanten van 30 cm. Deze segmenten kunnen herhaald worden als een modulair systeem waarbij hij tussen elke module verbindende planten gebruikt. In het boek dat hij voor de tuinier schreef geeft hij 40 voorbeelden. Uitgangspunt is hierbij om de tuinier de kennis te geven en dit als startpunt te gebruiken voor het maken van eigen combinaties.

De Inclusieve Tuin van Carrie Preston en Jasper Helmantel foto Marion Tiem

De Inclusieve Tuin van Carrie Preston en Jasper Helmantel foto Marion Tiem

In Nederland ontwerpt Carrie Preston samen met Jasper Helmantel, de eigenaar van kwekerij De Cruydthoeck, ‘de Inclusieve tuin’ een project van Groei & Bloei samen met VARA’S Vroege vogels. Samen maken deze twee tuinontwerpers een aantal ontwerpen waarin er weer plaats is voor planten, voornamelijk inheems, en waarin veel aandacht is besteed aan biodiversiteit.

De Natuurstijl is als stroming binnen de tuinarchitectuur duidelijk aanwezig vanaf 1870. De tijdsgeest en het plantensortiment bepalen het uiterlijk ervan. Een nieuwe generatie tuinontwerpers zijn geìnspireerd door de meesters van de Dutch Wave. Een voorbeeld van een tuinontwerper uit deze generatie is de Amerikaan Adam Woodruff die Piet Oudolf en Roy Diblik noemt als zijn inspiratiebronnen.

ja 5a

Jones Road Garden door Adam Woodruff

Bekijk hier alle berichten in de serie GO WILD!

Klik hier om naar de Welkom-pagina te gaan