Landgoed Clingendael
Landgoed Clingendael

Nederlandse Tuinarchitecten hielden zich in de periode voor 1900 nog voornamelijk bezig met het ontwerpen van  grote parken voor buitenplaatsen en landgoederen. Na 1900 zijn zich meer en meer gaan bezighouden met kleinere tuinen, in het begin waren dit nog veelal de tuinen van villa’s die in de nieuw gestichte villaparken verezen. Niet langer waren het uitsluitend de voorname families, de adelijke en andere welgestelde lieden die van de diensten van tuinarchitecten gebruik maakten maar vanaf 1900 waren het ook de fabrikanten, kooplieden en burgers die zich een tuinarchitect konden veroorloven.

springer1

Lange tijd was de landschapstijl het meest populair in de Nederlandse tuinarchitectuur, na 1900 kwam hier mede door de nieuwe klantenkring van villa-eigenaren verandering in. De percelen van de nieuwe villa’s bezaten niet voldoende ruimte voor deze landschapstijl, bovendien vereiste de villa-architectuur een andere overgang tussen de villa en tuin.

arch_ext_ak_450

De villa’s hadden een meer asymmetrisch uiterlijk, de woonverdieping en terras lagen nu vaak een stuk boven het maaiveld en waren er dus inventieve oplossingen nodig om dit verschil in hoogte te overbruggen. Bovendien was er rond 1900 een toegenome belangstelling voor de indivuele plant en dan met name de winterharde kruidachtigen in combinatie met lage heesters in een meer ‘natuurlijke’ groepering.

Leonard Springer
Leonard Springer

Al deze veranderingen waren de aanzet voor een nieuwe generatie tuinarchitecten die een eigen wijze van ontwerpen ontwikkelde . Van deze nieuwe generatie was D.F Tersteeg (werkzaam 1903 – 1936) de belangrijkste voortrekker. De oudere generatie , die bestond uit o.a. L.A. Springer, D. Wattez en H.A.C. Poortman, werkten nog voornamelijk in de landschapstijl/gemengde stijl terwijl D.F. Tersteeg een geheel eigen wijze  van ontwerpen ontwikkelde wat nu bekend is als ‘architectonische tuinstijl’  waarbij hij zich liet beinvloeden door ontwikkelingen in Duitsland, Frankrijk en Engeland.

Mede doordat de oude generatie zich bleef vasthouden aan de landschapstijl gingen steeds meer moderne architecten zich ook bezighouden met het ontwerpen van de tuin, iets wat tot die tijd het exclusieve terrein van de tuinarchitect was. De enkele tuinarchitect die wel inspeelde op de nieuwe ontwikkingen in de bouwkunst en aansluiting zochten bij de grote architecten kon van een goed gevulde orderportefeuille verzekerd zijn.

Vanaf ongeveer 1910 werd de architectonische tuinstijl steeds algemener geaccepteerd en werd er steeds vaker positief over geschreven door de vakpers. Hierdoor kon deze nieuwe tuinstijl zich gaan ontwikkelen als een mode. Er ontstond een hele nieuwe generatie tuinarchitecten in ons land waarvan Th.J. Dinn, H. Roeters van Lennep, G. Bleeker, J.P Fokker en J. Bergmans de belangrijkste waren.

In de jaren twintig kwamen er steeds meer bijzondere en fraaie soorten planten beschikbaar, mede hierdoor kwam in de tuinarchitectuur in deze periode steeds meer de nadruk op de beplanting te liggen. De uitbundige bloemenborders, welke vrijwel altijd rondom het huis waren gesitueerd, werden gevuld met veelal vaste planten en de kleinere soorten heesters.  Bij de zorgvuldig samengestelde composities van deze borders  werd er vooral aandacht besteed aan de visuele aspecten van de plant zoals hoogte, bladvorm, kleur, bladgrootte, bloeitijd en bloemvorm.

William Robinson (Wild Gardening in mixed borders en herbaceous borders) en Gertrude Jekyll waren de grote inspiratiebronnen voor de nieuwe generatie tuinarchitecten van die tijd. Het werk van Robinson en Jekyll genoot in ons land ruime bekenheid en waardering. Er ontstond een groep tuinarchitecten die zich behalve op de architectonische indeling en vormgeving van de tuin ook steeds meer op de invulling van de borders ging richten.

Mogelijk door deze veranderingen is het ook in deze periode, de jaren twintig, dat als ware  navolgers van Jekyll vrouwelijke tuinarchitecten nadrukkelijk op de voorgrond traden. Waarschijnlijk voelde zij zich meer aangesproken door de subtielere rangschikking dan door de Architectonische Tuinstijl, ook de vrouwenemancipatie zal hier een rol in hebben gespeeld. Naast de mannelijke tuinarchitecten Th.J Dinn en H. Roeters van Lennep die tot de groep beplantingsdeskundigen konden worden gerekend waren het vrouwen als Mien Ruys, Tine Cool en Renske Boon die van grote invloed waren.

img034

De laatste jaren voor de Tweede Wereldoorlog vond een vereenvoudiging in de lijnen en vormen van de Architectonische Tuinstijl plaats, minder grote bouwkundige elementen en ook het lijnenspel werd eenvoudiger. In navolging van een veel sorberder geworden architectuur werden ook de tuinen van een sober karakter, ook bij het werk van Gerard Bleeker was deze regel van ‘Eenvoud is schoonheid’ toegepast. Deze tuinstijl die tot in de jaren vijftig duurde werd aangeduid als Modernisme de belangrijkste kenmerken daarbij waren, eenvoud van het ontwerp waarbij eigenlijk niet te zien was dat de plek ontworpen was, een ruimtelijke compositie die wars is van symboliek, een functionele inrichting.

Als mogelijke reactie op de terughoudenheid onstond er eind jaren vijftig en begin jaren zestig een stroming in de tuinarchitectuur waarin tuinen juist wel nadrukkelijk een vorm en inrichting kregen. Tuinarchitecten zochten naar nieuwe eigentijdse materialen en in korte tijd werd bijvoorbeeld de grindtegel en de spoorbiels (Mien Ruys) in de tuin geïntroduceerd. Bij deze tuinstijl die bekend werd als Postmodernisme bleef de tuin in harmonie met het huis maar kreeg het ook meer eigen vormen en onafhankelijke lijnen. In deze periode deed ook de diagonale lijn als zichtlijn haar intrede. Ook werd de tuin in verschillende ruimten opgedeeld door het gebruik van een transparante afscheiding in de vorm van uitgroeiende bomen en heesters, de afscheiding is hierdoor niet exact aan te geven en verandert met het standpunt van de beschouwer. Behalve in het werk van Mien Ruys die enkele van deze elemementen heeft geïntroduceerd komt dit ook voor in het werk van Cath. Polak Daniëls.

Voor een volledig overzicht van deze periode in de Nederlandse Tuinarchitectuur is onderstaand boek aanbevolen (klik op het boek voor meer informatie hoe u dit boek kunt bestellen);

img037

ff horti promovenda